|
|
||||
|
Genealogie van Johannes van der STEUR |
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|
|
|
||
|
Inhoud |
||||
|
|
||||
|
Algemeen |
||||
|
|
||||
|
|
|
|
||
|
|
||||
|
Uit: |
||||
|
|
||||
|
“Maar hoe men het ook bekijkt, het blijft
een feit dat ‘voor de man onder de wapenen seks en drank de twee
belangrijkste zaken waren’. In het Nederlandse koloniale leger werd dit feit
openlijk erkend en werd ernaar gehandeld; echter, het lot van de inheemse
vrouwen en hun Indo-Europese kinderen was beklagenswaardig. Haar man kon haar
om elke willekeurige reden in de steek laten en als hij na zijn diensttijd
naar Europa terugkeerde, nam hij zelden zijn moentji en haar liplapkinderen
mee; zij zouden slechts een probleem vormen in de moreel ‘superieure’
maatschappij van het negentiende-eeuwse Nederland. Zulke onwettige kinderen stonden
in Indië bekend onder de fijngevoelige uitdrukking kepaten obor, of ‘gedoofde toorts’. Zulk een kind immers, viel
buiten de lichtkring der brandende toorts van de wettige en vaderlijke
erkenning van de verwekker. Zij werden vaak door beide ouders in de steek
gelaten en hun toekomst zag er somber uit. In het laatste decennium van de
negentiende eeuw kwam er echter een Nederlander uit Haarlem naar Indië met de
hoop hun ellende te kunnen verlichten. In 1893 opende Johannes van der Steur (1865-1945) een tehuis voor zulke kinderen in
Magelang, een garnizoensstad en militair depot op Midden-Java. De Nederlandse
regering steunde zijn bewonderenswaardige werk met sporadische, kleine
subsidies, maar toch bestond het ‘Oranje-Nassau-Instituut’ nog na de Tweede
Wereldoorlog.” |
||||
|
|
||||
|
- http://www.dbnl.org/tekst/beek007para01_01/beek007para01_01_0011.htm |
||||
|
|
||||
|
|
|
|||
|
Hoewel er
naar gestreefd is correcte informatie te verschaffen, kan niet worden
gegarandeerd dat de informatie op het moment waarop deze is geplaatst na
verloop van tijd nog steeds juist is. Aan de inhoud van deze webhalte kunnen
dan ook geen rechten worden ontleend. |
||||
|
|
||||