’t WAS  KERREMES

 

’t Was kerremes in ’t boeredurp.

Er stonge zeuve krame.

Op ’t skeipestikkie en de kroes

kwamme de mensche same.

 

Piet Dobber stong met ’t hoofd van Jut

en Richter met de skuitjes.

De Turksche skoppel was er ook

en Haassie met z’n neutjes.

 

Bij Paules was de herberg vol.

Deer danste de boerinne

en boerezeuns de skossewals;

je kon er haast niet binne.

 

En ‘seves, om een uur of elf

gong ieder met z’n maidje

an tafel bai de rooie wain

en vraide deer een taidje.

 

Deer zoende ze mekander blauw

bij brandewain en wafel

en zonge van de pot met brai,

en speigde onder tafel.

 

Wanneer het rond twee ure was

den kwam Piet Rol anstappe

met nog ien diender van het raik;

die zaie “niet meer tappe”.

 

Die joegen ’t jonge volk nei huis.

Ze moste nei de koeie.

Die stonge over ’n uur of wat

met ’t volle jaar te loeie.

 

Den gaove ze mekaar een arm

en zonge “wai gaan schaide”

en zwaaiden langs het skulpepad,

de jongens en de maide.

 

En ieder brocht z’n maid nei huis.

Deer zatte den die baië

in ’t donker, in de koeiestal

tot melkerstaid te vraië.

 

En as de kermes over was

wier alles weer bij ’t ouwë,

behalve den dat op het durp

wat maidjes moste trouwe.

 

S. Franke

 

 

Dit gedicht schreef de oud Middeliër Siem Franke omstreeks het jaar 1900 en het herinnert aan zijn jeugd toen hij aan het Edammerdijkje te Axwijck woonde, dichtbij de plaats waar in Mei de kermis werd gehouden.

De toestand en de namen van de personen in dit gedicht zijn volkomen juist.

Op het eerste gezicht lijkt het een ode aan de kermis in Middelie, integendeel Siem Franke stelde het drankgebruik en de gevolgen daarvan aan de kaak. Zijn gedichtje werd afgedrukt in “De Blauwe Vaan”, een tijdschrift ter bestrijding van drankmisbruik. We kunnen hieruit afleiden dat Siem Franke geheelonthouder was. Hij wilde laten zien wat gebruik van alcohol zoal kon veroorzaken: in het vierde couplet gaat men aan de rode wijn, in het vijfde spuugt men al op de grond, in het zesde moet de politie ingrijpen zo erg is het al. Daarna liep men lallend en zingend door het dorp, zodat iedereen wakker werd en wat er daarna op de koestal gebeurde laat zich gemakkelijk raden.

Het schijnt dat dit nummer van “De Blauwe Vaan” in Middelie werd onderschept en niet verspreid mocht worden. Men schaamde zich dus wel voor het gedrag van de jongelui in het dorp.
In 1975 verscheen dit gedicht in de dorpskrant. Driekwart eeuw na de eerste verschijning werd er dus geen censuur meer toegepast! Is men dit gedrag al zo gewoon gaan vinden?

 

Enkele opmerkingen bij de tekst:

Skeipestikkie:

Dit stukje land is kennelijk wat in mijn jeugd de kermiswerf genoemd werd en waar ’s zomers meestal schapen op liepen. Gelegen naast Café Molenaar (nu Ossebaar).

Kroes:

Het stukje land achter Café Molenaar en tegenover “De Rustende Jager” en de toenmalige doktershuis.

Piet Dobber:

Waarschijnlijk de man die toen enkele huizen voorbij het doktershuis woonde en met de Kop van Jut wat bij probeerde te verdienen.

Richter:

Een kermis exploitant van buiten het dorp die zijn schuit bij de voormalige overhaal aanlegde en vandaar zijn spullen naar de kermiswerf vervoerde.

Haassie:

Dit zou Has die aan het Edammerdijkje woonde kunnen zijn, die met zijn nootjes wat bij trachtte te verdienen.

Paules:

Paulus Molenaar, de vader van Klaas Molenaar van wie de familie Ossebaar het Café heeft overgenomen. Paulus liet later een huisje op zijn erf schuin tegenover “De Rustende Jager” bouwen waar hij rentenierde. Klaas ging, nadat hij zich uit de zaak had teruggetrokken, in “De Rustende Jager” wonen nadat het Café voor bewoning geschikt gemaakt was.

Piet Rol:

Inderdaad wat deze in die tijd de veldwachter in dienst van de gemeente. In het Gemeente Archief is nog een proces-verbaal van hem aanwezig. Tijdens de Kermis en soms ook bij uitvoeringen met “Bal Na” kreeg Rol versterking van een rijksveldwachter, waarvan men veelal de naam niet kende.

Skulpepad:

In de tijd van Siem Franke waren over de sloten in Middelie nog geen brede ophaalbruggen maar smalle “Posten”, waar twee mensen elkaar nauwelijks konden passeren. De weg was toen nog een smal pad dat in de winter nog al modderig werd 1). Na het droogvallen van de Purmer waren daar schelpbanken tevoorschijn gekomen, die men afgroef om er kalk van te branden in de kalkovens die in Axwijck aan het Edammerdijkje stonden waar deze de Purmerringvaart raakte. Die schelpen werden gebruikt om vlak voor de kermis als alles er piek fijn uit moest zien, het dorpspad met schelpen te verstevigen.

Sibrand Martens

 

Noot:

 

1. Zie ook artikel van P.Laan Jzn: Van schelpenpad tot racebaan, de ontsluiting van Middelie. De Post nr 1, 2003.