|
|
||
|
Genealogie van Cornelia Pieternella FRANKE |
||
|
|
||
|
|
||
|
|
|
|
|
Het is
een merakelse lieve meid |
||
|
|
||
|
|
||
|
De ernst
van het leven dringt zich zo nu en dan aan U op. In doorsnee wil men dat liever
niet, en dat, is ook wel te verstaan. Luchtigheid en vrolijkheid, dat past
ons, dat kunnen we gebruiken. Dat montert ons op. Wat kan het een mens goed
doen eens een paar uur in een vrolijk gezelschap te vertoeven en eens
hartelijk te lachen. Lachen is gezond.'. ' Ja, wij
zijn zelfs geneigd zulk een ontmoeting met echt vrolijke mensen te zoeken.
Maar het sombere, het droeve, het smartelijke, dat
mijden we liever. Maar dat ontlopen we niet. Het levensleed
dringt zich aan ons op en geen mens ontkomt daaraan. Toch zijn het in
doorsnee niet de slechtste dagen in 's mensen leven, die tijden van kommer en
verdriet. Het spreekwoord zegt niet voor niets: “Het leven is een school, de
mens is de leerling, de smart is zijn Meester”. Wie van U die, dit leest, zijn jarental ziet klimmen en die zich eens zet
om dit te overwegen, die zal moeten beamen, zo zijn ogen daarvoor door 's
Heren goedheid zijn geopend, dat al dat leed hem winst heeft gebracht. |
||
|
|
||
|
Deze
inleiding had ik nodig voor mijn verhaal over een zeer droeve brand, die plaats had niet ver van de Zaanstreek af, n.l.
tussen Jisp en Purmerend. Van alle branden, waarbij
mensen omkwamen, vond ik dit wel het meest tragische. Let wel, ik zeg niet
het ergste, maar het meest tragische. |
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
De man en
de vrouw, wier woonhuis verbrandde, waren mij
bekend. Ik had er een zakenrelatie mee, die zeker een dertigtal jaren
bestendigd was gebleven. Ik kwam er zeker eens per week, soms zelfs twee keer
en omdat we elkander waardeerden, was er een zekere
vriendschap ontstaan, die ons aan elkander bond. Toen ik dan ook hoorde, dat
hun huis in brand stond, heb ik mij derwaarts gespoed. Het was wel tamelijk
ver weg, maar wie weet kon ik nog wat voor hen doen. |
||
|
|
||
|
Het was een mooie voorjaarsdag, op Woensdag
8 Maart 1944, toen tegen de middag honderden Amerikaanse en Engelse
vliegmachines over ons land trokken. Tegen 12 uur gooide één dezer een benzinetank naar beneden, die niet geheel leeg
was. Mijn vriend Dirksen had een kruidenierszaak
tussen Neck en Purmerend. Het huis was van hout en
de ingang van de winkel was opzij. De keuken was aan de achterkant van het
huis en daar gebeurde het verschrikkelijke ongeluk. In mijn vorig opstel
schreef ik ‘Vergeet de dag der kleine dingen niet, en kleine oorzaken hebben
vaak grote gevolgen’. Als dat ooit bewaarheid is geworden dan zeer zeker op
deze voor hen zo noodlottige dag. Om 12 uur zitten man en vrouw, zomede een
zuster van vrouw Dirksen, in de voorkamer een kop
koffie te drinken. “Wil je nog koffie, vader?” vraagt de vrouw, die op zijn
toestemmend antwoord zich naar de keuken begeeft om de koffie in te schenken.
Haar zuster vergezelt haar. Op dit ogenblik slaat met een verschrikkelijke
klap een benzinetank door het dak van des heren Dirksen's
huis, precies boven de keuken. De tank was ruim twee meter lang en ongeveer
een meter breed. Het dak van het aan de achterkant wat lage huis werd
verbrijzeld, de benzine stroomde omlaag op de twee vrouwen, en de gasvlam,
die de koffie warm moest houden, deed zowel de benzine, als de benzinedampen,
ontbranden. De twee vrouwen stonden dadelijk in brand. Ik zal niet schetsen
in finesses wat er toen is gebeurd. Hoofdzaak is, dat mijn vriend Dirksen wanhopige en vruchteloze pogingen heeft gedaan,
om deze 2 dames, die beklemd zaten, te redden. |
||
|
|
||
|
Hijzelf geraakte mede daardoor in brand. Zijn gelaat
en zijn handen waren zó verbrand, dat het vlees er af brandde. Ook zijn
kleren brandden over het gehele lichaam en daar ook het huis weldra in
vlammen was gehuld, moest de moedige man wijken. Maar door de achterdeur kon
hij niet meer weg, en opzij door de winkel evenmin. Alles brandde reeds. Geen wonder, want de tank bevatte nog tamelijk veel
benzine. Het vuur brulde zó geweldig, dat omstanders, die op het gegil der
slachtoffers waren komen aanlopen, het brandende huis niet durfden naderen.
Maar toen men van de straat af bemerkte dat zich in de brandende voorkamer
iemand bewoog, die zelf ook in brand stond, toen heeft men, begrijpende, dat
vluchten achteruit onmogelijk was, het raam aan de straatzijde weten open te
schuiven, zodat de in brand staande man nog naar buiten kon worden gebracht.
Daar wist men zijn kleren te doven, maar de stakkerd was ontzettend verminkt. |
||
|
|
||
|
Toen ik daar per auto aankwam stond het huis nog in brand, maar
voor zover dat mogelijk was, waren de slachtoffers reeds
geborgen. Ook Dirksen zelf was reeds
weggevoerd, en toen ik des middags naar zijn toestand informeerde, waren de
berichten niet erg hoopvol. De woning en de winkel met de aanbouw verbrandden
totaal, mede doordat alles van hout was. Alleen een stuk van de voorwand
bleef staan. Het huis was zijn eigendom. Het was wel tegen brandschade
verzekerd, maar niet tegen oorlogsmolest. Des morgens was er nog een partij
koopmansgoederen bezorgd die mede geheel verloren gingen. De winkelier moest
ze dus nog betalen, hetgeen zijn schade post nog
verhoogde. Zijn handelsgeld, dat zich in de kamer in een kast bevond, ging
eveneens verloren. Het noodlot scheen zich dus vandaag over dezen man te
willen voltrekken. Hij verloor zijn vrouw en haar zuster, zijn winkel, zijn
huis, de winkelinventaris, de voorradige koopmansgoederen, zijn handelsgeld,
zijn inboedel, alle van de klanten in voorraad zijnde bonnen, alle van de
distributie ontvangen toewijzingen, zijn gehele administratie en wie weet,
zijn leven, of misschien het gebruik van een paar ledematen of het licht uit
zijn ogen. In een half uur tijd was hij van alles af. Hij was straatarm en
wie uwer denkt niet, bij het vernemen van deze ellende aan de zo bekende
geschiedenis van Job, uit het Oude Testament? Maar
gelukkig, Dirksen had nog iets met Job gemeen, ook hij verloor zijn geloof aan God niet,
zoals later zou blijken. In het grote, mooie ziekenhuis te Purmerend bezocht
ik hem begin Juni. Langzaam aan ging hij vooruit.
Maar eerst ging ik naar een andere oude relatie, die in het zelfde gebouw
werd verpleegd. Ook dit geval was een combinatie van leed en tegenspoed, maar
dat wou ik u nu niet vertellen. Het was een klein manneke uit de Beemster,
Ook hij was een goede bekende van mij en een enkele keer schreven we elkaar
wel eens. Ook hij ging niet zonder tegenslag door het leven en voor ongeveer
een jaar was zijn enigst kind, een jongetje van 9
jaar in de sloot achter het boerenerf verdronken. Nu was hij geopereerd en
werd in het zelfde ziekenhuis verpleegd als mijn vriend Dirksen.
Dat was dus twee vliegen in één klap. Nadat we een poosje met elkaar gepraat
hadden, vroeg ik hem “En Jan, hoe gaat het met je zieleleed?”
doelende op het verlies van het kind. Hij vertelde, dat God de Heer het best
met hem maakte. “Maar laatst”, zei hij “had ik toch
weer een slechte ochtend. U hebt zelf wel eens gezegd als u bij mij was en de
kleine Simon speelde op het erf “Wat zingt die jongen leuk. Ja, altijd zong
hij” even na negen uur in de Kanaalstraat in
Purmerend langs de Christelijke school, toen de kinderen een Psalmvers
zongen. |
||
|
|
||
|
Dat was zijn school; dat was zijn Psalm. En ik zag hem weer
terug, spelende op het ruime erf achter de hofstee, luid zingende, met zijn
glasheldere stem: |
||
|
|
||
|
't Hijgend hert. der jacht ontkomen, |
||
|
|
||
|
“Ik ben blijven luisteren tot het uit was, maar ik kon mij niet
goed houden. Bij mijn zuster op de Kanaalschans, daar vlak bij, heb ik
uitgehuild, maar toen ik te middag thuis kwam en het mijn vrouw vertelde - en
ook nu nog stokte zijn stem -, toen hebben we samen geweend,
alsof het ongeval de vorige dag was geschied.” |
||
|
|
||
|
Mijn vriend Dirksen lag een etage
hoger. Als ik door zo'n ziekenhuis loop, ontkom ik
nooit aan de gedachte “Stel je voor, dat hier eens brand komt”. Het ware te
wensen, dat een architect, of liever gezegd architecten, die zulke
inrichtingen bouwen, zich van te voren met de brandweer in verbinding
stelden. Ze volstaan meestal met een waterleiding van anderhalf duim en wat
slangen aan te brengen, maar daarmee basta. Ik heb het meerdere malen
beleefd, dat men later, toen het ziekenhuis reeds
enige jaren klaar was, verticale ladders en zogenaamde sullen (Een soort van
glijbaan, waar de mensen zich langs lieten glijden. Als rem klemden zij
hiertoe hun handen langs de kanten vast) liet aanbrengen, die dienen moeten
tot redding van patiënten en zusters. Vooral zo'n
sul, die later is aangebracht, ontsiert het gebouw geweldig, daar moet men
reeds bij de bouw op rekenen. Als ik goed heb gezien, dan was dat hier in
Purmerend ook het geval, want ook hier waren die instrumenten later
aangebracht. |
||
|
|
||
|
Er werd jaren geleden in Zaandam een Ziekenhuis gebouwd. Ik ging
ongevraagd naar den architect en vroeg of hij wel rekening hield met brand.
Zijn houding was niet erg voorkomend, maar hij zei toch tegen me : “Ja, slangen”. “En verder?” vroeg ik. “Denkt u nog om
rook en om redding van mensen?”. “Neen, nooit over gedacht,” zei hij en daarmee
was de conversatie ten einde. |
||
|
|
||
|
Maar toen men ons later voor datzelfde gebouw om advies vroeg,
wat er ter beveiliging kon worden gedaan, toen is er ingevolge
onze raad over de gehele hoogte van het kapitale gebouw een ijzeren redladder
aangebracht, wat wel even goedkoper geweest zou zijn, zo men dat reeds bij de
bouw had gemaakt. |
||
|
|
||
|
Maar ik dwaal af. |
||
|
|
||
|
Hoewel er drie maanden waren verlopen sinds mijn vriend dat
ontzaglijk ongeluk had gehad, zat hij nog steeds geheel in 't
verband. Hij vertelde mij uitvoerig van zijn leed, van zijn smartelijk
verlies en van de verschillende pogingen, die hij had gedaan om zijn vrouw en
haar zuster uit de brand te trekken. Tweemaal moest hij haar loslaten en
telkens had hij haar weer gegrepen, niettegenstaande
ze alle drie in brand stonden, maar de slachtoffers zaten bedolven en beklemd
onder en tussen brandend hout. Hij vertelde, dat hij alles kwijt was, vrouw,
huis, geld, broodwinning, alles, want ook zijn zaak was meteen teniet, en
daar ik hem al die jaren kende als een zeer arbeidzaam en oppassend
man, met een zeer respectabele vrouw, die een jeugd achter de rug had van
onnoemelijk veel leed, daar raakten we beiden in gepeins verzonken over het
levensleed en zijn oorzaak. |
||
|
|
||
|
“Wie zal Gods daden doorgronden ? Wie
zal beschuldigingen inbrengen tegen den Almachtige? Waar waart gij, toen ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt. Wie
heeft hare maten gezet, of wie heeft over haar een
richtsnoer getrokken? Waarop zijn hare grondvesten
neder gezonken of wie heeft hare hoeksteen gelegd? Of wie heeft de zee met
deuren toegesloten, toen zij uitbrak en uit de baarmoeder voortkwam, toen ik
de wolk tot hare kleding stelde en de donkerheid tot
hare windeldoek? Kunt gij de liefelijkheden van het zevengesternte binden, of de stangen des Orions losmaken? Weet gij de
Ordonnantiën des Hemels, of kunt gij de heerschappij deszelven
op de aarde bestellen?” Neen, wij weten er niets van. En ik was blij te
vernemen, dat mijn zo zwaar getroffen vriend in alles wat hem was overkomen,
kon berusten. Hij vertelde mij, dat er in het Ziekenhuis één zuster was, die
hem bijzondere troost bracht. “ledere avond,” zo
zei hij, “even voor de lichten uitgaan, komt ze met
haar bijbeltje bij mij. Ze leest me een stukje voor en dan, meneer, - dan bidt ze met me. O, wat doet me dat goed, dat
kan ik u niet zeggen”. En mij naar zich toe trekkend, want hij sprak nog
moeilijk, zei hij “Wat een zegen, meneer, wat is dat
een merakelse lieve meid!” Toen ik weg ging en ik
hem nog wat moed, waar hij overigens geen gebrek aan had, wilde inspreken,
zei hij “Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en
hulp genieten zou. Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik was
vergaan in al mijn smart en rouw. |
||
|
|
||
|
Drie maanden later, een prachtige dag in September,
kwam ik hem tegen op de Koog, waar hij logeerde bij zijn dochter. Keurig
gekleed, gewapend met een wandelstok en met zijn goede humeur, dat hem steeds
had gesierd en dat hem ook nu niet had verlaten. De gevolgen van de
vreselijke verminkingen waren onmiskenbaar waar te nemen aan gelaat en handen, terwijl een groot deel van zijn gehoor
teloor was gegaan. Maar wat niet verloren was gegaan, dat was zijn Geloof. |
||
|
|
||
|
Neen, integendeel, dat was versterkt, zodat hij ook in dit
opzicht overeenstemde met Job, die ondanks alle
ellende zijn groot geloof behield. Hij vertelde mij, dat zijn medeburgers hem
niet in de steek hadden gelaten, en dat hij met behulp van deze en gene en mede door de goede zorg zijner kinderen in een
Tehuis voor Ouden van dagen was opgenomen. Eerst had het hem wel even moeite
gekost eraan te gewennen, maar allengs ging het beter.
Maar toch koesterde hij de stille hoop zijn huisje te mogen herbouwen. De
verbrande resten waren opgeruimd, maar het plekje grond. Zijn eigen plekje
grond, de schuur, de paardenstal, de mooie heining, dat alles was nog
aanwezig. Telkens weer wandelt hij erheen en steeds weer opnieuw doemt voor
hem op het visioen van zijn eigen woning, van zijn eigen haard en van zijn
eigen tuintje. Want een goede Nederlander haakt naar zijn vrijheid, dat is
hem aangeboren. Misschien is er geen volk op Gods wijde wereld, dat zó aan
zijn vrijheid is gehecht als de Hollander. En daar mijn vriend Dirksen een goed Vaderlander is, die zijn ganse leven
hard had gewerkt, daar verlangde ook hij naar rust, naar lichamelijke en
innerlijke rust. Maar dat is lang niet voor ieder weggelegd. Reken erop, dat
in onze tijd menigeen, die zijn landgenoot aan de vijand heeft overgeleverd,
zal haken naar rust, naar echte weldadige rust. Maar het geweten, die schone gave Gods, zal hem dat niet gunnen. Hij zal
door het proces van de tergende, langzaam knagende wroeging verteerd worden,
om ten slotte misschien zelf een einde aan zijn leven te maken, want met Gods
gerechtigheid valt nu eenmaal niet te spotten. Maar mijn vriend Dirksen, wien al zulk unfair
gedoe vreemd is, hoopt nog te beleven, dat hij nog rustige dagen zal mogen
slijten in zijn eigen huisje op de plek waar hij eens het echte en ware
levensgeluk heeft gekend, in dagen van welvaart, omgeven van vrouw en
kinderen. |
||
|
|
||
|
UIT: Brandalarm : een serie brandweerschetsen
: herinneringen ... |
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
Lang leve Franke |
||
|
|
||
|
Zie ook de brand 1944 |
||
|
|
||
|
|
|
|
|
|
||
|
|
||