JEAN JACQUES SALVERDA DE GRAVE

(Noordwijk,
19 Maart 1863 -- 's-Gravenhage, 22 Maart 1947)
Permulta quae hominibus expetenda
videntur consecutus est
A. Kluyver, Mel. S. de Gr.
Op 22 Mrt 1947, veertien jaar na
zijn afscheid als hoogleraar te Amsterdam, overleed te 's-Gravenhage Jean
Jacques Salverda de Grave. "Nederland verloor in hem een groot geleerde,
Frankrijk een van zijn beste vrienden." Deze woorden, uit een Franse
krant, zijn karakteristiek voor zijn werk, zijn leven, zijn persoonlijkheid.
Hij was Nederlander in zijn gevoelens, zijn overtuiging, zijn diepste wezen,
maar er was ook iets van de Fransman in hem: zijn voorkomen, zijn aangeboren
hoffelijkheid, misschien het verbergen van zijn innerlijk achter de "politesse
du coeur". Geen wonder, van vaders- en van moederszijde was Salverda de
Grave van Franse origine. Zijn overgrootvader, vluchtend voor het geweld van de
naderende revolutie, kwam in
Salverda de Grave werd geboren te
Noordwijk; hij bezocht het gymnasium te 's-Gravenhage, waar zijn vader, een
dominee die het predikambt vaarwel had gezegd, leraar in de geschiedenis werd.
In zijn schooljaren, in die gezegende tijd toen het gymnasium de leerlingen nog
vrije uren voor eigen studie liet, las hij Goethe, de klassieken, wat tot veel
beschouwingen met zijn klasgenoten aanleiding gaf. Met twee ervan, de
toekomstige professoren Boer en Steinmetz, zou hij later deze gesprekken in de
professorenkamer te Amsterdam voortzetten. De litteraire vakken zag hij echter
niet als zijn toekomst: "Hij had adelborst willen worden en eigenlijk was
in het diepst van zijn ziel de marine altijd het mooiste vak voor hem
gebleven." Dit schreef hij in een examenopgave voor Frans M.O.A. in 1909.
's Avonds stonden de examencandidaten -- hoe weten zij zulke dingen -- geboeid
te luisteren naar het romantische verhaal van één van hen die meende te weten
dat deze bijzonderheid autobiografisch was; terecht. Zijn ouders hadden hem
echter deze keuze ontraden en, behalve op papier, zal hij geen spijt hebben
gehad hun raad te hebben gevolgd. In zijn geslaagde carrière althans was
waarlijk geen aanleiding de gekozen richting te betreuren. Hij studeerde Nederlandse
letteren te Leiden en promoveerde in 1888 cum laude te Groningen op een Frans
onderwerp: Introduction à une edition critique du roman d' Eneas; prof.
Van Hamel was zijn promotor. Zijn laatste stelling luidt: "Het is
wenselijk de bepalingen der Wet op het H.O. betreffende de doctoraten die door
de Faculteit der Letteren verleend kunnen worden, zo te wijzigen, dat o.a. ook
de studie der Romaanse philologie aan de Nederlandse universiteiten tot haar
recht kan komen." De 25-jarige promovendus zal toen wel niet bevroed
hebben, dat op hem de plicht zou rusten dit onderwijs te organiseren en te
leiden, en dat hij dat eens tot grote bloei zou brengen. Hij had dit
proefschrift, waarop in 1891 de critische uitgave van de tekst volgde,
grotendeels te Parijs voorbereid. Gaston Paris, Paul Meyer, Delisle en Raynaud
waren er zijn leermeesters en zijn medestudenten Alfred Jeanroy, Joseph Bédier,
de Fin Wallensköld werden vrienden voor het leven. Na 45 jaar getuigden zij nog
van de "inoubliables dimanches" bij Gaston Paris, wiens genialiteit
op de romanisten van toen zo grote invloed heeft uitgeoefend. Korte tijd
studeerde Salverda de Grave later nog in het Duitse Freiburg bij Emil Levy. In
1889 werd hij benoemd tot leraar van Koningin Wilhelmina, toen nog de Prinses;
hij gaf Haar lessen in Nederlands, Frans, geschiedenis en aardrijkskunde. Het
waren voor hem onvergetelijke jaren en tot in zijn ouderdom mocht Salverda de
Grave van Hare Majesteit blijken ontvangen van Haar medeleven in alles wat zijn
persoon en zijn gezinsleven betrof. In deze periode legde hij het examen Frans
M.O. af, een evenement dat enige spanning teweegbracht: hij was er zich
pijnlijk van bewust, dat de leraar van de Koningin geen échec mocht lijden! Als
de Commissie zijn in het Frans gestelde dissertatie had gelezen, zal de uitslag
niet twijfelachtig zijn geweest.
In 1891 was Salverda de Grave in
het huwelijk getreden met mejuffrouw Elise Ferf; in 1896 werd hij
privaat-docent, daarna lector te Leiden. Hij had in die jaren een werkzaam
aandeel in de arbeid van de Mij. voor Letterkunde. In zijn openingsrede als
Voorzitter van de jaarvergadering van 1902 koos hij als onderwerp De
Zuiverheid der taal; van 1901 tot 1903 was hij ook lid van de Commissie
voor Taal- en Letterkunde en voerde als zodanig de redactie van het
Tijdschrift. In 1899 had hij reeds in deze commissie gesproken over de Middel-nederlandse
vertaling van Renaud de Montauban en in de Handelingen en Mededelingen van
1911-'12 publiceerde hij een voordracht over Taalbetrekkingen van Nederland
en Frankrijk.
In zijn Leidse tijd is hem een
aanbod gedaan om hoogleraar te worden in Bonn; hij bleef zijn land trouw,....
gelukkig, niet alleen voor onze Romanisten. Het zal hem veel teleurstelling hebben
bespaard. Wij kunnen ons tenminste niet goed voorstellen hoe hij in Duitsland
zou hebben kunnen aarden. Hij moge dan aan de Duitse wetenschap recht hebben
doen wedervaren, een bewonderaar van het land had hij toch nooit kunnen worden
en er zich thuisvoelen evenmin.
In 1907 volgde hij zijn
leermeester Van Hamel te Groningen op. Deze benoeming, voor hem de bekroning
van reeds hoogstaande wetenschappelijke praestaties, opende vele
toekomstmogelijkheden en was voor zijn ouders een grote vreugde. Zijn vader,
die ten gevolge van de vrijwillige afstand van zijn beroep, moeilijke jaren had
gekend, had het voorrecht binnen enkele maanden tijds zijn oudste zoon tot
Secretaris-Generaal van Waterstaat, de jongste tot Hoogleraar te Groningen en
zijn schoonzoon, Professor Hesseling, tot Hoogleraar te Leiden te zien benoemd.
Het waren gelukkige jaren in
Groningen: de werkzaamheid van Salverda de Grave vond erkenning in den lande,
en de Groningse universiteit, de enige die een opleiding gaf in de moderne
talen, werd een centrum dat veel studenten, zelfs enkele uit het buitenland,
tot zich trok. In Dr. Marie Loke, lector in de letterkunde, vond Salverda de
Grave een medewerkster, die met haar zeer vrouwelijke en artistieke aanleg zijn
capaciteiten bizonder goed aanvulde. Beiden hadden hun gaven en hun
persoonlijkheid grote invloed op de kring van ontvankelijke jonge mensen die
zich om hen hadden geschaard. "Meer dan welk ander universitair vak,
vraagt de studie ener levende vreemde taal, medewerking van de gehele persoon.
Het doordringen in de taal en de geschriften van andere volken is niet mogelijk
zonder het met de ziel, niet minder dan met het verstand, zo dicht mogelijk
nabij te komen. Zonder sympathie voor de natie die men wil leren kennen, is het
slechts half werk, zo ergens, dan is hier begrijpen slechts mogelijk door
liefhebben". Deze woorden, door Salverda de Grave geschreven in die tijd,
typeren zijn onderwijs. Van uit dit verre Noorden was er veel contact met
Frankrijk en lang voor het cultureel accoord van 1946 werden van hier uit
hoogleraren uitgewisseld. Zijn colleges in de taalkunde werden wel moeilijk
gevonden; in een tijd toen geen wetenschappelijke staf het pad voor
beginnelingen effende, werden deze onvoorbereid gesteld voor een vaak te zware
stof. Het was misschien zo kwaad nog niet, al heeft het wel eens wankelmoedigen
afgeschrikt. Salverda de Grave toch had momenten wanneer ineens de vonk van
zijn enthousiasme op zijn gehoor oversprong. Hij opende dan wijde
perspectieven, die het doorworstelen van moeilijke beginselen wel waard bleken.
Salverda de Grave prepareerde zijn colleges grondig en wie later geroepen
werden, zelf deze stof te doceren, zullen zijn helder betoog en "la belle
ordonnance" van zijn uiteenzettingen bizonder hebben gewaardeerd. Hoewel
hij zelden eigen wetenschappelijke publiciteit vermeldde en grote objectiviteit
betrachtte, had zijn voordracht iets persoonlijks en was zijn overtuiging
steeds merkbaar. Wel was hij er steeds op uit bij zijn studenten een
zelfstandig oordeel aan te kweken: niets vreesde hij zozeer als schoolse
napraterij, in zijn jeugd had in Duitsland de angst van de jongeren, de mening
van de hoogleraar tegen te spreken, hem reeds pijnlijk getroffen.
Toen in 1912 de Amsterdamse
universiteit ook de moderne talen in het H.O. betrok, werd hem de leerstoel
voor Frans aangeboden. Om persoonlijke redenen bedankte hij en bevorderde de
benoeming van de Fransman Gustave Cohen. Toen deze in 1921 naar Straatsburg
ging, nam Salverda de Grave dit onderwijs op zich. Deze positie eiste meer
extra-universitaire activiteit van hem; toch wist hij altijd met een rust die
de tegenwoordige generatie hem benijdt, een deel van zijn tijd vrij te houden
voor wetenschappelijk werk.
Het is moeilijk in Salverda de
Grave de leermeester te scheiden van de geleerde en nog moeilijker is het een
overzicht te geven van zijn wetenschappelijke publicaties, die zich uitstrekken
over 60 jaar van bijna ongekende activiteit. Als Romanist behoorde hij tot een
generatie die, naar het illustere voorbeeld van Gaston Paris en Paul Meyer in
Frankrijk zowel als daarbuiten, het litteraire verleden van Frankrijk heeft
doen herleven. Het was de tijd van de beroemde "Editions critiques",
waarin men met eindeloos geduld en moeizame conjectures een middeleeuwse tekst hoopte
te reconstitueren; de tijd waarin de taalgeleerden meer philologen dan
linguisten waren en de phonetische taalontwikkeling hoogtij vierde. Dit was
aanvankelijk ook zijn richting. Het was intussen de grote verdienste van
Salverda de Grave dat hij de ontwikkeling van de wetenschap steeds zeer
nauwkeurig bleef volgen en op hoge leeftijd nog die opvattingen recht liet
wedervaren die tegen zijn vroegere overtuigingen ingingen. De boeiende
voordracht die hij in 1936 hield voor de Vereniging van Leraren in Levende talen
over De studie der levende talen in de laatste 25 jaren bewees, hoe jong
de grijze geleerde was gebleven. Natuurlijk geeft hij hierin een ruime plaats
aan De Saussure's beroemd geworden onderscheid tussen historische en statische
taalwetenschap, maar hij begaat de vergissing hierin een verschil in methode
niet een verschil in wezen te zien en tracht dan te komen tot een compromis
tussen beide beschouwingen. Dat Salverda de Grave het positivistische standpunt
van zijn tijd nooit geheel heeft kunnen loslaten, kan men hem moeilijk euvel
duiden.
Zijn tweede uitgave van de Eneas
(1925) getuigt van zijn veranderde inzichten in de tekstcritiek: hij was tot de
overtuiging gekomen, dat het onmogelijk is de tekst van de dichter te
reconstitueren en reproduceerde nu het manuscript, dat hem het dichtst het
origineel scheen te benaderen. Hem is verweten, dat hij ditmaal te ver in de
nieuwe richting was gegaan. Hoe dit zij, door deze tweede uitgave "qui
peut être tenue pour définitive" zoals een Frans handboek zegt, bewees
Salverda de Grave een grote dienst aan de Franse wetenschap; zijn belangrijkste
bijdrage daartoe had hij intussen geleverd in 1891, toen hij als eerste de
tekst van de Franse Eneas bekendmaakte, in zijn inleiding het accent legde op
de middeleeuwse voorstelling van de oudheid en het aandeel bepaalde, dat de
"Romans de l'Antiquité" hadden in de opbloei van de "Romans
courtois" en dus van Chrétien de Troyes. Voor wie de werkzaamheid van de
geleerde in zijn geheel tracht te overzien is het tevens merkwaardig hier de
evolutie van zijn stijl vast te stellen. Het Frans van de dissertatie is
correct, bizonder verdienstelijk voor een Nederlander; de inleiding van 1925 is
Frans: in dit werk, dat in Frankrijk klassiek is geworden, zal niemand meer de
buitenlander vermoeden.
Aan zijn grote liefde voor de
teksten der oud-Franse en Provençaalse letterkunde is Salverda de Grave zijn
levenlang trouw gebleven, hij schreef monographieën over de oorsprong van de
dichtkunst der troubadours, en had, zoals zijn medewerker Professor Jeanroy ons
verzekert, het grootste aandeel in de publicatie van de gedichten van Uc de
St. Circ; in 1938 nog, gaf hij een verhandeling over de lyriek van Giraud
de Borneil.
Toch is deze zijde van zijn
werkzaamheid, waarmee hij naar mij bleek, in Frankrijk en in Engeland zijn naam
vestigde, in ons land minder bekend. Hier trokken meer de aandacht zijn
publicaties over de ontleningen der talen onderling: iedere Neerlandicus zowel
als iedere Romanist kent zijn Franse woorden in het Nederlands en de Influence
de la langue française en Hollande d'après les mots empruntés, ontstaan uit
de colleges die hij in 1913 aan de Sorbonne gaf. De woordontlening wordt gezien
als een sociaal en cultureel verschijnsel, dat de verhouding tussen de
betrokken landen illustreert. Hieruit ontstond wat een buitenlands geleerde
noemde de "Scuola olandese di Salverda de Grave", waarin door zijn
leerlingen verschillende aspecten van deze ontleningen werden belicht en aan de
feiten getoetst.
Op zuiver theoretisch gebied dient
hier te worden vermeld Salverda de Grave's revolutionnaire theorie De la double
accentuation des diphtongues. Weinig geestdriftig ontvangen, daarna bestreden
heeft deze theorie, bij de bezwaren eraan verbonden, het voordeel zeer
uiteenlopende verschijnselen in de evolutie der Franse klinkers door eenzelfde
verklaring aannemelijk te maken. In zijn Syllabes ouvertes et syllabes fermées
en Roman tracht hij wederom de monophtongering van sommige open klinkers terug
te brengen tot het algemeen verschijnsel der vroegere diphtongering en ook zijn
hypothese over Un préfixe français réel is een poging tegenstrijdigheden in
etymologische hypothesen onder één verklaring samen te vatten. Is dit streven
in wezen niet hetzelfde als de eis van strenge systematiek die hij zijn studenten
bij scripties en dissertaties stelde? Natuurlijk, dit is een voorwaarde van elk
wetenschappelijk denken, maar Salverda de Grave voerde deze door tot in de
uiterste consequentie van de compositie. Niets haatte hij zo als "rommelig
werk". Zijn eigen geschriften zijn daardoor steeds prettig leesbaar, ze
werden haast angstvallig verzorgd, zowel wat stijl als wat het typografisch
uiterlijk betreft: "Geleerdheid ontslaat ons niet van de verplichting
sierlijk te zijn".
Het is niet mogelijk hier een ook
maar enigszins volledig overzicht van Salverda de Grave's wetenschappelijk werk
te geven, de indrukwekkende lijst van zijn publicaties op het gebied der Franse
taalkunde en middeleeuwse letterkunde zou alleen al voldoende zijn geweest om
een werkzaam leven te vullen. Wij verwijzen dus voor een overzicht van zijn
publicaties voor 1933 naar de lijst die verschenen is in de Mélanges de
philologie offerts à Jean Jacques Salverda de Grave à l'occasion de sa 70ième
année, par ses amis et ses éléves (Groningen Wolters, 1933).
Maar Salverda de Grave was
Romanist in de volle zin van het woord: de kennis van het Provençaals, van het
Italiaans, de elementen van het Spaans, beschouwde hij als het vanzelfsprekend
complement van zijn studie van de ontwikkeling van het Frans, en veel
publicaties van zijn hand zijn aan de talen of de letterkunde van die landen
gewijd: hij schreef verhandelingen over Carducci, Manzoni, Dante, over Een
oud-Spaanse romance en reeds in zijn jonge jaren, toen hij de Koningin op
een reis naar het Engadin had vergezeld, gaf hij een artikel uit over het
Rheto-Romaans. Het Roemeens ontbrak, jarenlang, maar toen zijn emeritaat hem
meer vrije tijd liet werd ook deze leemte grotendeels aangevuld.
Zijn wetenschappelijke arbeid ging
ook na zijn 70ste jaar voort; in het bijzonder vermelden wij de editie met
Prof. Meyers van tot toen toe nog niet gepubliceerde handschriften betreffende
het gewoonterecht van St. Amand, Verdun en Metz (dit laatste is thans nog bij
de drukker) in de XIIIe en XIVe eeuw. Deze uitgaven zijn door Salverda de Grave
voorzien van een uitvoerige uiteenzetting omtrent het Picardisch en Lotharings
dialect, zoals het in deze handschriften voorkomt.
Natuurlijk waren ook de uiterlijke
tekenen van erkenning niet uitgebleven: Salverda de Grave was doctor honoris
causa van de Sorbonne, van de Universiteiten Straatsburg en Brussel, hij was
lid, dat spreekt haast vanzelf, van de Koninklijke Academie van Wetenschappen,
oprichter van de beroemde Association Guillaume Budé, ter bevordering van de
studie der oudheid, lid van de Raad van Toezicht op de Société des anciens
Textes, die hij herhaaldelijk in Parijs presideerde en lid van talloze andere
geleerde genootschappen. Het Institut de France dat voor buitenlanders de
qualificatie "Membres correspondants" kent, kiest een enkele keer een
buitenlands geleerde tot een fauteuil als "Membre associé". Het is
een eer voor zijn land, dat Salverda de Grave deze hoge onderscheiding is te
beurt gevallen.
Salverda de Grave was geen
geleerde die zich afzonderde in de stilte van zijn studeervertrek. Hij was een
van de oprichters van Neophilologus, jarenlang redacteur van Museum, van De
Vragen des Tijds, en gaf zo nu en dan bijdragen aan de grote pers. Voor ons
onderwijs heeft hij veel gedaan. Jarenlang voorzitter van de examens voor de
M.O.-acten Frans, Italiaans en Spaans, heeft hij zowel in de faculteit als
daarbuiten generaties van leraren gevormd die als verspreiders van de Franse
cultuur in ons land naam hebben gemaakt. Velen danken hem de voldoening die de
uitoefening van een werkkring geeft, welke men niet alleen als "vak"
heeft leren zien. Hij ijverde voor de vernieuwing van ons lager onderwijs, voor
beter grammatica-onderwijs, voor behoud van het Frans op de lagere school en
alle ouderen weten hoeveel hij gedaan heeft voor de vereenvoudiging van onze
spelling. Hij was jaren voorzitter van "Vereenvoudiging" en talloze
spreekbeurten en artikelen heeft hij gewijd aan deze kwestie, die hem zeer ter
harte ging. In die polemieken liet zijn hoffelijkheid hem nooit in de steek,
maar het wapen der ironie versmaadde hij geenszins. Wanneer litteratoren,
doctoren, ingenieurs, zich mengden in het debat onder voorwendsel dat zij allen
de taal toch ook gebruikten, antwoordde hij: "Precies zoals de electrische
tram, maar de aanleg zullen we toch maar liever aan ingenieurs overlaten".
Hoogst vermakelijk is na jaren het
herlezen van het Gidsartikel over Taalgeleerdheid en Spelling waarin hij
zich keerde tegen zijn vroegere strijdmakker Prof. van Ginneken, die zich nu
"met ophef" aan de zijde der tegenstanders had geschaard. In een
geschrift, gericht tegen Prof. Bolland nam hij het op voor de Franse taal, die
volgens deze wijsgeer "te arm zou blijken om daarin gelijkwaardige
bewoordingen en woordverbindingen te bedenken voor de rijkdom en de diepte van
de Nederlandse rede". Het viel de taalgeleerde niet moeilijk de
ambtgenoot, die zich buiten de grenzen van zijn gebied had gewaagd, met
wetenschappelijke argumenten en fijne ironie te verslaan. Deze polemiek
verwekte nogal opschudding, het boze verweer van Dr. Meerum Terwogt, waarin
Salverda de Grave "Hollands Franskillon" werd gescholden, werd door
De Gids, het Tijdschrift voor Wijsbegeerte en de Groene geweigerd en tenslotte
als vlugschrift verspreid.
Dit zal wel de enige keer zijn geweest
dat het optreden van Salverda de Grave rumor in casa verwekte. De
emotionaliteit die ongetwijfeld zijn wezen kenmerkte, wist hij binnen de perken
van zijn zelfbeheersing te houden, naar buiten maakte hij een indruk van
gematigdheid. Een enkele keer slechts bleek, soms na jaren, hoe diep een
verwijt, een handeling die hij afkeurde, hem hadden getroffen. Hij vergat niet
licht, dat bleek dan ineens uit een onverwacht felle reactie. Maar juist die
bewogenheid van zijn innerlijk gaf aan zijn optreden iets persoonlijks, aan
zijn welsprekendheid grote warmte. Misschien was ook dit Frans in hem en
inderdaad in zijn prachtige taal, zijn geestige, voorname welsprekendheid, deed
hij voor grote Fransen niet onder. Deze kant kwam vooral tot uiting in de
bijeenkomsten van Nederland-Frankrijk en van het Maison Descartes.
Het Genootschap
Nederland-Frankrijk heeft een grote plaats in zijn leven ingenomen en hij heeft
veel bijgedragen tot de stichting en de bloei van het Institut Français. Als
eerste in ons land van de later zo talrijk geworden bilaterale verenigingen
richtte Salverda de Grave Nederland-Franrijk op, omdat hij in de Nederlandse
wetenschap de z.i. te overheersende Duitse invloed wilde tegengaan. In een te
eenzijdige oriëntering zag hij de ondergang van onze specifiek Nederlandse
beschaving, die, de geschiedenis van de taal had het hem geleerd, juist berust
op de Romaanse invloeden die onze Germaanse ondergrond hebben bevrucht. Maar al
te goed wist hij hoe de wetenschappelijke inslag de gehele cultuur beïnvloedt.
Het streven van de Alliance Française, die ten doel heeft "la propagation
de la langue et de la littérature française" en daartoe van Parijs uit
over de gehele wereld een vrijwel uniforme actie voert, vond hij onvoldoende.
Hij wilde hier Franse kunst en Franse wetenschap brengen, en door Nederland
zelf de keuze hiervan laten bepalen. In dit opzicht heeft hij zeker veel
bereikt en zo Nederland na de oorlog in een accoord de culturele banden met
Frankrijk zo gemakkelijk weer heeft kunnen aanknopen, zou het al zeer
ondankbaar zijn niet te erkennen, dat het streven van Salverda de Grave hier
het voorbereidend werk heeft verricht.
De oorlog was voor hem geen
verrassing, het vertrouwen in Duitsland had hij reeds lang verloren. In
1914-'18 werden hem zijn felle anti-Duitse gevoelens wel eens verweten. Hoewel
Salverda de Grave in dit opzicht niet veranderd was, heb ik van een dergelijk
verwijt in 1940-'45 nooit iets vernomen! Voor zijn familie en zijn vrienden was
het een geluk dat hij emeritus was. Hij trok zich terug in de familiekring,
niet zonder onrust overigens over wie hem lief waren, en diep getroffen door
het lot van "ses deux pays, le sien et puis
Nog eenmaal trad hij uit de stilte
van zijn studeerkamer in de openbaarheid. Dat was toen Georges Duhamel, zijn
oude vriend, voor een enthousiast gehoor kwam getuigen van de wederzijdse
sympathie van onze beide landen, die nu weer vrij kon opbloeien. Toen gingen
aller ogen uit naar Salverda de Grave, die met de oude, vriendelijke lach in
zijn ogen Duhamel bedankte. Zoals hij daar stond, op het podium van onze
historische Ridderzaal, werd zijn figuur tot de personificatie van de
geestelijke waarden van het verleden, die niet zouden weerkeren. De jongeren
waren getroffen door het stijlvolle, aristocratische van dit optreden uit een
tijd, die ze nauwelijks hadden gekend, de ouderen hervonden even iets uit een
verleden dat goed en waardig was geweest. Ze wisten dat ze Salverda de Grave
nog eens "en forme" hadden gezien, maar beseften ook, dat ze dit
beeld moesten vasthouden...... voor later.
Nadien leefde hij nog slechts voor
zijn kinderen, zijn klein- en achterkleinkinderen en voor zijn werk. Want gewerkt
heeft hij tot kort voor het einde. Toen hij afscheid nam, in volle bewustzijn
en volkomen rust, wist hij dat de copie van Le maitre-échevin beneden
klaarlag voor de drukpers.
Zelden is een leven zo rijk en zo
harmonisch geweest als dat van de mens en de geleerde Salverda de Grave. Zeker,
zorgen, verdriet en moeilijkheden heeft ook hij gekend, maar het goede heeft
toch wel sterk overheerst. Zou hij het ten volle hebben beseft? Misschien is
dat de verklaring van de sereniteit van zijn ouderdom.
Met hem is heengegaan een van die
mannen "de grande classe", waaraan onze verarmde wereld thans zozeer
behoefte heeft. Bij de plechtige herdenking in het Institut de
France zei Faral: "Il imposait le respect et la confiance par son savoir,
par sa franchise, par l'absence de toute prétention, par la sagesse de ses
appréciations, par la bienveillance sereine de son acceuil, par toutes ces
choses enfin qui fondent la véritable autorité".
Den Haag
TINE H. WIND
LIJST VAN GESCHRIFTEN
Voor de volledige bibliografie van
J. J. Salverda de Grave van 1888-eind 1933 verwijzen wij naar de Mélanges de
philologie offerts à J. J. Salverda de Grave, à l'occasion de sa
soixante-dixième année par ses amis et ses éléves. Groningen-den Haag 1933.
Na 1933 verschenen:
Boeken:
|
1934 |
Des Lois et Coutumes de Saint-Amand. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink en zonen *. |
|
1940 |
Le livre des Droits de Verdun.
Ibid.* |
Ter perse:
|
|
Jugements du maitre-échevin de
Metz au XIVe siècle.* |
Artikelen:
|
1936 |
Prononciation et Evolution de [ou] latin et germanique, d'après les
mots français empruntés. Neoph. |
|
-- |
De Studie der Levende Talen in
de laatste 25 jaren. Levende Talen. |
|
1937 |
Le Hollandais connait
"krakeel". Neoph. |
|
1938 |
Levensbericht van Ferdinand
Brunot. Verh. Kon. Ac. van Wetenschappen, 1937-1938. |
|
-- |
Observations sur l'art de Giraud
de Borneil. Ibid. |
|
-- |
Ferdinand Brunot. Levende Talen. |
|
-- |
K.R. Gallas. Neoph. |
|
1940 |
Caniveau. Neoph. |
|
1941 |
In memoriam Prof. D.C. Hesseling. Neoph. |
|
1947 |
Over de taal van Metz in de XIVe
en XVe eeuw. Neoph. |
|
-- |
Derk Christiaan Hesseling
(posthuum). Jaarboek van de Mij der Nederlandse Letterkunde, Leiden. |
Boekbesprekingen:
Neophilologus:
|
1934 |
(Geoffroy Tory). |
|
1935 |
(Faral, Nyrop, Jeanroy,
Streicher). |
|
1936 |
(Ewert, Sirvey, Walberg). |
|
1937 |
(Streicher, Frapié). |
|
1938 |
(Recueil général des Lexiques français du Moyen-Age). |
|
1939 |
(Saisset, Vidos). |
* In samenwerking met Prof Meyers.
Afkomstig uit: Jaarboek van de
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1947-1949, pag. 130-140.
- http://www.maatschappijdernederlandseletterkunde.nl/mnl/levens/47-49/salverda.htm