IX

5







4

Adriana Jacoba (Jeanne) STERK
geb Rotterdam 26.10.1916
ber correspondente Nederlands, Duits, Frans en Engels;
stenotypiste en collationeerster Nederlands en Duits; weefster;  dichteres
overl Amersfoort 17.11.1994
begr Amersfoort 21.11.1994
Alg begrpl ”Rusthof”
tr Rotterdam 29.03.1944
gesch Rotterdam 25.02.1976
Fokke Abram (Fokke) GROEN
geb Zwollerkerspel 12.5.1919
ber Werktuig- en bouwkundig tekenaar, opzichter,
Stedebouwkundig tekenaar, technisch hoofdambtenaar van
de prov Utrecht
overl Beek (Lmb) 15.7.1993
gecr Arnhem 19.07.1993
crematorium Moscova


1987

 

dichteres

Vrouwelijke dichter

 

Gedichten van Jeanne Sterk

bronnen


Ik ben een vogel in een kooi,
mijn ogen gluren naar het licht
dat glansbetoverend en mooi
rondom mijn nauwe kluister ligt.
deed toch een tedere hand één keer
mijn droevig dichtend deurtje hoog,
ik zag mijn enge cel niet meer
spande mijn vleugels, vloog!

Omhooggewoeld uit meer verdriet
golft dan mijn keel een levend lied
na woeste branding op het strand…

Doch mij bevrijdt geen tedere hand.
’k zit nog omhuld terneer en zucht,
àdem alleen maar levenslucht.

 


Vandaag is het de dag voor vijftien lange jaren
dat ik je baarde, kind, en zonder vuur of licht
toen ongeziene machten mij bewaarden
temidden van het moordend vuur, mijn wicht…
Het uur, dat koude voorjaarsdagen
zonder de koestering van een warme haard
voor zwang’re lenteluchten vluchtten
en bloesem weer aan groene takken ging gepaard
en hoe mijn huid mij slap omspande
had mijn lichaam, vleesloos, nog gewicht?
ik dankte God voor ’t mollig klein hoopje
dat Leven bracht waar dood op d’akker ligt…
en… je werd groot mijn jongen, lang en stevig
had het moordend spel op jou geen vat?
je werd het kind, waarvan ik droomde in d’ontbering
je werd de zoon die ik verlangde, schat!

1960

 


O slechts even boom te zijn
met wortels diep in d’aarde
mijn stam zo recht omhoog gericht
mijn kroon wijd open in het licht
dan kan ik adem halen.
Ik zuig mijn voedsel uit de grond
ik vul met lucht mijn blaren
en tooi met bloesem mij in mei
om d’bruigom in te halen.
En is de zomer dan nabij
dan werp ik wijd mijn vruchten
gewijd met levenskracht van mij
rondom en zonder zuchten…

O slechts even boom te zijn
niet ’t leed kennen en zijn pijn
alleen maar zijn

 


Oh lieve Moeder Aarde
steun my met uw gewicht,
opdat, wat ik vergaarde
by u geborgen ligt.!
Houd vast my in uw armen,
behoud my met uw druk,
zo kan ik my verwarmen,
want anders val ik stuk

 


Ik heb de strijd gestreden
mijn lot is nu beslecht.
al wat ik heb gebeden
in woorden heb gezegd
het ligt nu vast verankerd
heel diep in mijn gemoed
en God, ja heus ik weet het
zo alleen is ’t goed

Ik zal niet langer drinken
van de bloedrode wijn
dat kan alleen bedwelming
van aardse zinnen zijn.
Ik wil me nu slechts laven
aan  ’t zuivere witte licht
en hierin dansen, spelen
voor Uw aangezicht

Ik maak mijn lijf een tempel
een tempel U ter eer
en leg daar op het altaar
al mijne lusten neer
Ik wil Uw Leid-ster volgen
in helder licht bestaan
Zo zullen mijne voeten
Uw koninkrijk in gaan

 


Dood is al wat drukkend, duister
donker is als kagend graf.
levend is wat lichtgefluister
lichtend, lievend, leven gaf…

Graf is als een grimmige adem
kil en dodend als de vorst,
leven neemt in laatste vadem
als het nog naar zonlicht dorst

En het hart eens mededogend
openend zich voor het licht
thans in dood teneergebogen
tot vergaan op d’aarde ligt…

Zo neemt en geeft Hij, die het Leven
in en uit zichzelven is
en Wiens scheppend Zijnsbeleven
teerst en diepst geheimnis is…

 


Nu het jaar ten einde spoedt
blik ik diep naar binnen
was al wat ik deed wel goed
’k wil me nu bezinnen:

in een lange, lange rij
trekt al het beleven
aan mijn geestesoog voorbij
veredelde ’t mijn leven?

Deed mijn mateloos begeren
droefheid in levensvreugd verkeren?

Wat heeft het lieve christuskind
op aarde willen geven?
Het gaf zijn persoonlijkheid
zijn hele zijn, zijn leven
voor het heil, dat eens
’t menszijn zal overstralen
als een glanzende bokaal
vol heil’ge offermalen.

Zijn leven zij het lichtend beeld
dat toeft in onze harten
het licht, dat spoelt en overspeelt
al onze aardse smarten

Zijn voorbeeld, dat tot volgen strekt
zij in ons opgerezen
Zijn volgen, dat het lichten wekt
lere ons een mèns te wezen

een mens, voldoende aan de wet
en toch eraan ontheven
de wetten naar zijn hand gezet
beheerser van het leven

Het leven, dat ons allen bindt
de groten en de kleinen,
de bron, waar ieder rust in vindt
u d’uwe, in de mijne

Die steeds gevende overvloed
van kleuren en van klanken
dot ons diep in ons gemoed
altoos de Schepper danken.

Moge het nu geboren jaar
’n ieder geven, wat zijn streven
een bèter mens te zijn op aard
ondersteunt in ’t komend leven!

Kerstmis 1992

 


ik voel me nu zo ruim, zo wijd
zo levend in oneindigheid
en wat eens door begrensd te zijn
zo groot was, is nu klein

- Genealogie van Wouter Sterk

bronnen:

- Wazamar archief

Voor reacties