PersoonsBewijs 1941 - 1951

 

 


PB-40-45-1-80.gif
PB

1941-1951

Inleiding
Inhoud

Vooraf
Invoering
Vervolg:
1 2 3
Vervalsen
Einde

Personen

Letter-
Nummer-
Gemeente

Verwijzingen
Bronnen
Literatuur

 

Voor reacties

 


Een identiteitsbewijs, in Nederland tijdelijk uitgereikt vanaf 1941 tot in 1945. Tevens bewijs van opneming in het bevolkingsregister. Een ieder boven de 15 jaar moest in bezet Nederland een speciaal persoonsbewijs (PB) bij zich dragen.

8 Hoe het begon

 

In 1936 werd het Besluit Bevolkingsboekhouding ingevoerd. De gemeenten werden verplicht per 1 juli 1936 alle inwoners te voorzien van een Persoonskaart, van voorgeschreven formaat en indeling.
Op de voorkant van die kaart werden de gegevens van de betrokken inwoner vermeld, op de achterkant die van de eventuele echtgenoot en kinderen. De kaart werd bewaard in het bevolkingsregister van de gemeente waar de inwoner woonachtig was. Verhuisde hij naar een andere gemeente, dan kreeg het bevolkingsregister van die andere gemeente zijn kaart toegezonden. De eerste gemeente behield daar dan een afschrift van.
Persoonskaarten van overledenen, van diegenen die het land blijvend verlaten hadden maar ook van allen die geen vaste woonplaats bezaten (de meer dan 25.000 schippers met hun gezinsleden b.v.), werden bewaard in
een Centraal Bevolkingsregister te Den Haag.
J.L. Lentz
* stond aan het hoofd van de Rijksinspectie Bevolkingsregisters.
De persoonsregistratie was in 1940 dus goed geregeld. J.L. Lentz was een groot voorstander van het invoeren van een identiteitsbewijs. Hierin stond hij niet alleen. De invoering van het Persoonsbewijs (PB) kwam dan ook niet uit de lucht vallen. Het werd in maart 1939 al nadrukkelijk aanbevolen door een interdepartementale commissie.

Het vierde kabinet Colijn (1937-1939) * hield de aanbeveling in beraad.

Foto kabinet-Colijn IV groot
voorste rij v.l.n.r.: De Wilde, Van Dijk, Van Buuren en Steenberghe.
achterste rij v.l.n.r.: Slotemaker de BruÔne, Van Boeijen, Goseling, Colijn, Welter en Romme.
*

Eťn van de overwegingen daarbij was dat men met spoed de uitreiking van een ander, veel simpeler identiteitsbewijs, de Distributiestamkaart, in voorbereiding moest nemen. Die distributiestamkaart zou geen foto bevatten en kon dus onmogelijk als een overtuigend identiteitsbewijs beschouwd worden. Of het kabinet-Colijn tegen de invoering van een deugdelijk identiteitsbewijs ook meer principiŽle bezwaren had, is niet bekend.
Een feit is dat die bezwaren wel bestonden bij het kabinet-de Geer (1939-1940) *.

Foto kabinet-DeGeer II groot
v.l.n.r.: Steenberghe, Albarda, Dijxhoorn, Bolkestein, Gerbrandy, Van Kleffens, Van Boeijen,
De Geer, Welter en Van den Tempel.
*

Het rapport van de interdepartementale commissie kwam hier begin maart 1940 ter discussie. Het kabinet stelde zich op het standpunt, dat de invoering van een identiteitsbewijs als door de commissie bepleit, waarbij eigenlijk elke burger als een potentiŽle misdadiger beschouwd werd, in strijd zou zijn met de Nederlandse tradities. J.L. Lentz * nam van die beslissing met teleurstelling kennis.
-
-
-

NOTEN

1 - Jacobus Lambertus Lentz
2 - Hendrikus Colijn

3 - Kabinet-Colijn IV
4 - Kabinet-de Geer II
5 - Dirk Jan de Geer
-

-

-Invoering van het Persoonsbewijs

 

 

 

© WAZAMAR
sinds 1995

Hoewel er naar gestreefd is correcte informatie te verschaffen, kan niet worden gegarandeerd dat de informatie op het moment waarop deze is geplaatst na verloop van tijd nog steeds juist is. Aan de inhoud van deze webhalte kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.