|
Volkslied: |

Brazilië (officieel:
República Federativa do Brasil, federatieve republiek in Zuid-Amerika), 8.511.965 km2, met 160 miljoen inw. (19 inw. per
km2);
hoofdstad: Brasília. Met uitzondering van Chili en Ecuador grenst het aan alle
landen van Zuid-Amerika en, met een kustlengte van
Fysische geografie
Landschap
Brazilië kan worden verdeeld in de volgende natuurlijke
landschappen: 1. Het Amazonegebied, waarvan B (ca. 3 miljoen km2) tot Brazilië behoort. Het is een
zeer oud, vlak, komvormig doorgebogen gebied. 2. Het Hoogland van Guyana (hoger
dan
De gebergteontwikkeling is het sterkst in de staat Minas
Gerais. De kusten zijn weinig geleed; alleen de omvangrijke Amazonedelta vormt
een aanzienlijke onderbreking. In het uiterste zuiden wordt de kust gekenmerkt
door grote kustlagunes (Lagoa dos Patos, Lagoa Mirim). Ten noorden hiervan
komt, tot Rio de Janeiro toe, het kustgebergte (Sa. do Mar) tot vlak aan de
Atlantische Oceaan. Braziliës hoogste punt is de Pico Phelps (
Klimaat
Op het uiterste zuiden na ligt Brazilië geheel binnen de
keerkringen, zodat het klimaat een duidelijk tropisch karakter heeft. Bepalend
zijn daarbij twee hogedrukgebieden: het subtropische hogedrukgebied boven de
Grote Oceaan, en dat boven de Atlantische Oceaan, het belangrijkste. Tussen
beide drukmaxima vertoont de luchtdruk boven Brazilië een relatief minimum, een
door de verwarming boven land versterkt gedeelte van het equatoriale
lagedrukgebied. Dit betekent dat de intertropische convergentiezone, ook wel
intertropisch front (ITF) genoemd, zich gedurende een groot gedeelte van het
jaar boven Brazilië bevindt.
De winden zijn in het binnenland in het algemeen zwak en
veranderlijk. Aan de kust overheersen winden uit oostelijke richtingen; ze
voeren relatief vochtige en warme lucht aan over de warme Braziliëstroom.
Tussen 10° Z.Br. en de equator zijn de winden overheersend oostzuidoost (zie
passaat).
In het noorden van het land vertonen de temperaturen zeer
weinig variatie; verder naar het zuiden neemt de jaarlijkse gang van de
temperatuur toe, maar blijft toch nog betrekkelijk gering.
De gemiddelde maandelijkse temperaturen zijn dus nergens
extreem hoog. Dat geldt ook voor de dagelijkse maxima. Zo is het absolute
maximum, dat in de staat Pará (bij Belém) werd waargenomen,
Brazilië is over het geheel genomen een neerslagrijk land.
In een groot gedeelte van het Amazonegebied, met name in het westen en nabij de
monding van de rivier, valt meer dan
Het friagemverschijnsel gaat gewoonlijk gepaard met
overvloedige neerslag, omdat de vochtige warme tropische of equatoriale lucht
door de noordwaarts stromende koude polaire lucht wordt opgetild, waardoor
condensatie plaatsvindt. De friagemregens duren veelal drie tot vijf dagen aan
een stuk door.
Hydrografie
De afwatering van geheel Brazilië geschiedt op de
Atlantische Oceaan. Verreweg het grootste afwateringssysteem vormt de Amazone.
Zuidoost-Brazilië watert af via het Paraguay-Paraná-systeem, in
Noordoost-Brazilië geschiedt dit gedeeltelijk door enkele grote rivieren van
het Amazone-systeem (Tapajós, Xingu), voorts door de tweelingrivier
Araguia-Tocantins en door de São Francisco. Door de talrijke trappen- en
plateaulandschappen is het aantal watervallen groot; de bekendste zijn de Paulo
Afonso-vallen in de São Francisco, de Sete Quedas (= Zeven Watervallen) in de
Paraná, en de Iguaçu-vallen bij de monding van de Iguaçu in de Paraná. In het
zuidwesten van Mato Grosso ligt een groot moerasgebied, dat overgaat in de
Chaco Boreal (Paraguay).
Plantengroei
Het Amazonegebied bestaat vrijwel geheel uit tropisch
regenwoud (selva), gekarakteriseerd door een buitengewoon grote
soortenrijkdom, een overvloed van lianen en epifyten en een zgn. etagebouw,
dwz. dat de bomen tot verschillende niveaus reiken. Grote delen van het woud
hebben ten gevolge van de regelmatige overstromingen tijdens de
hoogwaterperioden het karakter van moerasbos (igapó). Lage plateaus (terra
firme) in deze gebieden worden niet overstroomd, waardoor er zich andere
vegetatievormen dan het tropisch regenwoudtype hebben ontwikkeld (caaetê),
met o.m. bomen die een hoogte van
Dierenwereld
De dierenwereld, vooral die van het regenwoud, is van een
tropische vormenrijkdom, hoewel de echt grote planteneters zoals bekend uit de
Oude Wereld ontbreken. Er leven tal van breedneusapen, grijpstaartapen
(brulapen, kapucijnapen, slingerapen, spinapen, wolapen), zowel als klauwaapjes
(uilapen, springapen, penseelapen, doodshoofdapen), alle echte boombewoners.
Katachtige roofdieren zijn o.m. de jaguar, de poema en de ocelot; de wasberen
zijn vertegenwoordigd door o.m. de krabbeneter, de rolstaartbeer en de
neusbeer. Van de hondachtige roofdieren verdienen de boshond en de manenwolf
vermelding. In het Amazonegebied treft men de reuzenotter aan.
Grote hoefdieren zijn o.m. de tapir en de moerasherten;
ook leven hier de navelzwijnen. Het aantal knaagdiersoorten is groot, o.m. de
agoeti, de capibara of waterzwijn, de schijnratten en de
grijpstaartstekelvarkens, in het zuiden ook nog de beverrat. Typisch
Zuid-Amerikaanse soorten zijn de gordeldieren, de luiaards en de miereneters.
Langs de kust, tot in de Amazone, leven zeekoeien (lamantijnen) en in de
rivieren zoetwaterdolfijnen. Het aantal vleermuissoorten is groot. De opossums
of buidelratten hebben hier een belangrijke verspreiding; hier leeft ook de
wateropossum, het enige in het water levende buideldier. De vogelwereld is zeer
rijk aan soorten en individuen; daaronder zijn vele endemische geslachten.
Vermeldenswaard zijn o.m. de kolibries, de ovenvogels, de vliegenvangers, de
miervogels, de papegaaien en de toekans. Ook het aantal soorten reptielen en
amfibieën is omvangrijk (anaconda, boa constrictor, koraalslangen,
groefkopadders, giftige kikkers, enz.). De rivieren zijn rijk aan meervallen,
karperzalmen en cichliden, wellicht de rijkste zoetwatervisfauna ter wereld.
Hiertoe behoort de arapaima, met
Bevolking
Samenstelling en spreiding
De bevolking is zeer heterogeen van samenstelling en van
Indiaans-negride-Europese herkomst. Het aantal Indianen dat nog de oorspronkelijke
leefwijze heeft, bedraagt minder dan 0,2% van de totale bevolking en neemt af
door de ontginning van hun woongebied, het Amazonegebied, van waaruit zelfs
moordpartijen op Indianen gemeld zijn (1988). Voorts wonen Indianen in
Centraal-West-Brazilië. Voor een deel zijn zij in (in totaal 128) reservaten
ondergebracht, die sinds 1968 onder beheer staan van de FUNAI (= Fundação
Nacional dos Indios); dit orgaan heeft tot taak de integratie van de
Indianen in de maatschappij op geleidelijke en vreedzame wijze te doen
verlopen. De enorme uitgestrektheid van het binnenland, het ontbreken van de
nodige geldmiddelen, onbegrip en hebzucht van avonturiers, al dan niet met
medeweten van regeringsambtenaren, maken van deze instelling in de praktijk
dikwijls een dode letter.
De Portugezen, die sedert de 16de eeuw als kolonisten naar
Brazilië kwamen, bleven in de havensteden grotendeels onvermengd, doch in het
binnenland vermengden zij zich met de Indiaanse bevolking. Vooral tussen 1880
en 1914 kwamen er veel immigranten naar Brazilië: Italianen, Spanjaarden,
Syriërs, Libanezen, Polen, Duitsers en (vanaf 1908) Japanners.
Mensen van gemengde herkomst worden in het algemeen als mestiços
aangeduid; die van Indiaans-Europese afkomst als mamelucos; zij vormen
in het binnenland van Noordoost-Brazilië de meerderheid van de bevolking. Cafuzos
zijn van Indiaans-negride, brancos of pardos van Europees-negride
afkomst; in de volksmond worden de laatsten morenos (sympathieke
benaming) of mulatos (onsympathiek) genoemd. Hoewel Brazilië geen
scherpe tegenstelling tussen deze bevolkingsgroepen kent, is de geringschatting
voor de gekleurde bevolking algemeen en blijft het voor deze groep moeilijk in
de sociaal hogere lagen van de bevolking door te dringen. Het blanke deel van de
bevolking vormt de meerderheid (ca. 53% van het totaal), daarna volgen de
pardos (ca. 22%), de mamelucos (12%) en de zwarte bevolkingsgroep (ca. 11%).
De jaarlijkse bevolkingstoename bedraagt ca. 1, 8%. De
leeftijdsopbouw in Brazilië is onevenwichtig: ca. de helft van de bevolking was
in 1995 jonger dan twintig jaar. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte
is voor mannen 64 jaar en voor vrouwen 69 jaar. In 1990 was 18% van de
bevolking ouder dan 15 jaar analfabeet.
Ook de spreiding wordt gekenmerkt door een grote mate van
ongelijkheid: in de kustgebieden van het noord- en zuidoosten en het zuiden
woont op iets meer dan eenderde van de oppervlakte ca. 90% van de totale
bevolking. Het Amazonegebied en het westen daarentegen hebben een
bevolkingsdichtheid van resp. 1 en 2, 9 inw. per km2. Er is sprake van een
voortschrijdende urbanisatie: 77% van de bevolking woont in de steden,
waarbinnen vooral de krottenwijken (favelas) zich snel hebben
uitgebreid. De grootste stedelijke gebieden zijn São Paulo (15,3 miljoen inw.)
en Rio de Janeiro (10,2 miljoen inw.).
Taal
Officiële taal is het Portugees, dat qua uitspraak en
woordenschat archaïscher is dan de in Portugal gesproken taal, maar qua
syntaxis moderner. Het Portugees van Brazilië heeft vele leenwoorden van de
taal gesproken door de Tupinambá-volkeren. In de 16de en 17de eeuw was het Tupi
in grote gebieden in het noorden en langs de kust een lingua franca. Vooral in
namen van dieren, planten en geografische termen komen deze woorden voor. In
afgelegen gebieden worden vaak nog inheemse talen gesproken, zoals Tupi in het
noordoosten en Guerani in het zuidoosten.
Religie
Brazilië kent volledige godsdienstvrijheid. De bevolking
is voor ruim 89% rooms-katholiek en voor ca. 8% protestants, welke laatste
groep een sterke groei heeft doorgemaakt in de jaren tachtig en negentig. Het
aantal spiritisten is bijzonder groot. Voor velen zijn de grenzen tussen het
katholicisme en allerlei vormen van volksgodsdienst, zoals macumba, uiterst
vaag. Daarnaast is het 'wetenschappelijk spiritisme', dat teruggaat op de
Fransman Allan Kadec (= H.L. Denisard Rivail, 1803-1869) zeer verbreid, vooral
in de steden. De Rooms-katholieke Kerk, tijdens het keizerrijk een instrument
in handen van de staat, werd in de twintigste eeuw weer een gerespecteerde
instelling. Kerk en staat werden in 1946 gescheiden (voor het eerst gebeurde
dat in 1890, waarna in 1934 de eenheid werd hersteld).
Bestuur en samenleving
Staatsinrichting
Elke deelstaat heeft een eigen grondwet, parlement en
gouverneur. De territoria vallen direct onder het centrale gezag. Sedert 1988
is een nieuwe grondwet van kracht, die de autoritaire grondwet uit 1969 van de
militaire junta verving en talrijke presidentiële volmachten weer overdroeg aan
het parlement. De bevoegdheden van de voor vier jaar direct gekozen president
zijn hierin beperkt, maar de regeringsvorm blijft een presidentiële in plaats
van een parlementaire. De wetgevende macht bestaat uit twee kamers: het Huis
van Afgevaardigden (Camara dos Deputados) met 513 leden die voor vier jaar
worden gekozen en de Senaat (Senado Federal) met 81 leden (drie per staat) die
voor acht jaar worden gekozen. De relatief grote invloed van het leger is o.a.
zichtbaar in een permanente consultatie door het kabinet van de legerleiding.
Er bestaat stemrecht voor alle burgers vanaf 16 jaar.
De federatieve republiek Brazilië is verdeeld in 26
deelstaten en een federaal district rondom de hoofdstad Brasília. De staten zijn
onderverdeeld in gemeenten (municípios). De gouverneurs en de parlementen van
de federale staten worden in directe verkiezingen gekozen. Voor statistische
doeleinden en om redenen van planning onderscheidt men de macroregio's Noord,
Noordoost, Zuidoost, Zuid en Centraal-West.

Lidmaatschap van internationale
organisaties
Brazilië is lid van de Verenigde Naties en een aantal van
haar suborganisaties, de OAS (Organisatie van Amerikaanse Staten), de IDB
(Interamerikaanse Ontwikkelingsbank), de LAIA (Latijns-Amerikaanse Integratie
Associatie), de SELA (Sistema Económico Latinoamericano), de Mercosur (de
vrijhandelszone van een aantal Zuid-Amerikaanse landen) en het Amazone Pact.
Partij- en vakbondswezen
In mei 1985 werd door middel van een amendement op de grondwet
de vrije vorming van politieke partijen toegestaan. In 1996 waren 17 partijen
in het parlement vertegenwoordigd, waarvan de belangrijkste zijn: de Partido do
Movimento Democrático Brasileiro (PMDB), de rechtse Partido da Frente Liberal
(PFL) en de Partido da Social Democracia Brasileira (PSDB), de partij van
president Cardoso. Sedert de opheffing van de militaire controle op vakbonden
zijn op nationaal niveau twee overkoepelende vakcentrales gevormd: de
progressieve CUT (Central Unica dos Trabalhadores: Eenheidscentrale van
Arbeiders) in 1983 en de CGT (Confederaçao General dos Trabalhadores: Algemene
Arbeidersfederatie) in 1986. De met de PMDB verbonden CGT is met 1258
aangesloten vakorganisaties de grootste centrale. De nieuwe grondwet van 1988 garandeert
onbeperkt stakingsrecht.
Inleiding
Het algemeen economische beeld van Brazilië is vanaf het
midden van de jaren vijftig nogal wisselend. In de periode van 1955 tot 1964
was er van een telkens verminderende politieke en economische stabiliteit en
groei sprake. De eerste jaren na de militaire staatsgreep (1964) werden
gekenmerkt door een drastische verlaging van de inflatievoet, een sterke
beteugeling van de lonen en een geringe groei van het bnp. Het tijdvak van 1968
tot 1974 vormt de periode van het 'Braziliaanse wonder', waarin de economische
groei gemiddeld ruim 10% per jaar bedroeg. Deze groei was zowel aan de
industriële sector als aan de akkerbouw en veehouderij te danken. In de
eerstgenoemde sector, vooral in de basisindustrieën, deden zich sterke
buitenlandse invloeden, m.n. Amerikaanse, gelden. Vanaf 1974 trad een kentering
in. Na 1981 kwam de economie in een ernstige economische recessie, die gepaard
ging met een inflatie van gemiddeld meer dan 100% per jaar (in 1985 228%) en
een zware schuldenlast. Het bnp daalde in de periode 1981-1983 met gemiddeld 3%
per jaar, trok in de drie daaropvolgende jaren weer aan, maar stagneerde
opnieuw in 1987 en 1988. Per hoofd van de bevolking steeg het bnp tussen 1981
en 1988 met 1,5%. In 1986 leidde een anti-inflatieprogramma van de regering tot
een verminderde geldontwaarding van 58%, maar de inflatie nam in 1987 en 1988
opnieuw toe met resp. 366% en 900%. De in de jaren zeventig met de
internationale banken aangegane leningen ter financiering van industrialisatie-
en infrastructuurprojecten leidden tot een zeer hoge buitenlandse schuld (in
1988 $ 114,6 miljard). De stijging in de jaren tachtig van de rente die
Brazilië op deze schuld moest betalen, verstoorde het economisch groeiproces.
De opbrengsten van de tussen 1980 en 1988 bijna verdubbelde export werden voor
eenderde besteed aan de rentebetalingen op de buitenlandse schuld, waardoor de
import beperkt moest worden. Tussen 1980 en 1987 betaalde Brazilië $ 50 miljard
meer aan de buitenlandse banken dan het land aan nieuwe leningen uit het
buitenland ontving. In februari 1987 kondigde de Braziliaanse regering een
tijdelijk moratorium af op de schuldbetalingen. Om het tij te keren kondigde de
regering het 'Plano Real' af (1 juli 1994), met een monetaire hervorming
gericht op het beperken van de inflatie. Met succes: deze was met 30 à 40% de
laagste in 17 jaar (in 1995). Van 1985 tot 1994 bedroeg de inflatie nog 913%!
De verbetering zet zich in de laatste jaren over de gehele linie voort. Ook de
werkloosheid daalde aanzienlijk.
De economische vooruitgang is regionaal sterk
verschillend. Het zwaartepunt ervan ligt in de zuidoostelijke staten Minas
Gerais, Rio de Janeiro en São Paulo. Hier ontvangt 40% van de bevolking ruim
80% van het nationaal inkomen. Noord-, Noordoost- en Centraal-West-Brazilië
blijven bij deze ontwikkeling sterk achter. Deze regionaal onevenwichtige groei
heeft een grote trek naar de steden van het zuidoosten veroorzaakt.
Landbouw
Ca. 9% van de oppervlakte van Brazilië is als cultuurgrond
in gebruik. Van de totale exportopbrengsten is 45% uit de agrarische sector
afkomstig, waarin (1993) 23% van de economisch actieve bevolking werkzaam is.
De belangrijkste akkerbouwgebieden liggen in de kuststaten van het zuiden en
het noordoosten. Koffie, vnl. in de staten São Paulo en Paraná (ca. 50% van de
nationale productie) verbouwd, is het economisch belangrijkste product van
Brazilië, dat 's werelds grootste koffieproducent is (ca. eenderde van de
wereldproductie). Intern nam als gevolg van de diversificatiepolitiek de
eenzijdige oriëntatie op de koffie af: tot 1964 bedroeg het aandeel van koffie
in de export 50%, in 1995 nog maar 5%. Andere belangrijke producten zijn soja,
suiker en cacao (vnl. in de staat Bahia). Vooral de productie van sojabonen is
in de jaren tachtig sterk toegenomen. In 1988 was de exportopbrengst van
sojabonen voor het eerst hoger dan die van koffie. De verbouw van suikerriet
nam toe na de invoering in 1976 van het programma ter stimulering van het
gebruik van ethanol (dat uit suikerriet verkregen wordt) als brandstof voor
auto's. De katoenverbouw (vooral in São Paulo en Paraná) is in de eerste helft
van de jaren zeventig teruggelopen. Daarentegen is de verbouw van sisal (Rio
Grande do Norte, Paraíba) zo sterk toegenomen, dat Brazilië de eerste producent
ter wereld is geworden voor dit gewas. Door het gehele oostelijke gebied
verspreid is de verbouw van tabak, bananen, suikerriet en maïs. Tarwe komt uit
Rio Grande do Sul en uit Paraná. Als inheemse voedselgewassen worden rijst en
maniok vrijwel overal verbouwd. Aanplantingen van tungbomen leveren tungolie.
In de Sertão levert de carnaúbawaspalm carnaúbawas; de zgn. wonderboom levert
ricinusolie; in Rio Grande do Sul levert ervamate een theesurrogaat; in het
Amazonegebied komen wilde rubber en paranoten voor. De verbouw van
citrusvruchten (vnl. in de staat São Paulo) is vanaf 1979 geïntensiveerd.
Sinaasappelsap vormt na koffie en soja het belangrijkste agrarische
exportproduct. Als gevolg van de expansie van de grootschalige exportlandbouw
daalde de voedselproductie per hoofd van de bevolking tussen 1965 en 1985 met
een kwart. Een programma gericht op landhervormingen in de agrarische sector,
geïnitieerd onder president Goulart (1961-1964), stuit op politieke tegenstand.
De verdeling van het grondbezit onder de agrarische bevolking is zeer ongelijk.
Het grootste gedeelte van het landbouwareaal bestaat uit
weiden. De veehouderij draagt voor ca. 25% bij aan de waarde van de
agrarische productie. Centra zijn de staten Minas Gerais, Rio Grande do Sul,
São Paulo, Mato Grosso en Goiás (in de laatste twee staten is de veehouderij
extensief). Hoewel de vleesproductie in de eerste plaats voor binnenlands
gebruik bestemd is, neemt de export van rundvlees toe. Naast runderen worden
vnl. varkens, schapen, geiten en paarden gehouden. In het Amazonegebied zijn
landerijen van meer dan 600 km2 uitgegeven voor veehouderij, wat leidt tot een nog schevere
verdeling van het grondbezit en een dramatische aantasting van het natuurlijk
milieu.
Bosbouw en visserij
Brazilië is voor 60% bebost, voor 45% met tropisch
regenwoud. Economisch belangrijker dan de (hard)houtrijkdom van de
Amazonevlakte is de naaldhoutexploitatie in Rio Grande do Sul en Paraná. Sinds
de jaren zestig zijn wettelijke maatregelen van kracht aangaande het bosbeheer.
De visserij is nog weinig ontwikkeld. In het noorden wordt vnl. gevist
op makreel en schaaldieren, in het zuiden op kabeljauw, haring, tonijn.
Overbevissing in de Amazone leidt hier en daar tot afname van de visstand.
Brazilië heeft in
Mijnbouw en energie
De bodemschatten zijn zeer omvangrijk en gevarieerd, maar
naar verhouding nog weinig geëxploiteerd. In het bijzonder in het Amazonebekken
worden geregeld nieuwe vindplaatsen ontdekt. De aangetoonde hoeveelheid
ijzererts behoort tot de grootste ter wereld. Brazilië is 's werelds grootste
exporteur van ijzererts (108 miljoen ton in 1986). Het belangrijkste mijngebied
vormt de staat Minas Gerais, waar de voorraden aan ijzererts bij Itabira en
Ouro Prêto deels van een zeer hoog gehalte zijn (tot 68,5%). Vanaf 1986 zijn de
ijzerertsvoorraden in Serra dos Carajos (noordelijk Amazonegebied) in productie
genomen (dagbouw). Carajos herbergt naar schatting een voorraad van 18 miljard
ton ijzererts, op de tweede plaats komt bauxiet, vervolgens mangaanerts.
Belangrijk is voorts de winning van goud, industriediamant, edelstenen zoals
aquamarijn, diamant en smaragd (vnl. bij Diamantina in Mato Grosso). De winning
van goud, veelal door goudzoekers, veroorzaakt een ernstige aantasting van het
landschap en verontreiniging (door wegspoeling van kwik) van het
oppervlaktewater. Voor bergkristal (Goiás, Bahia) bezit Brazilië een
quasi-monopolie, terwijl het een van 's werelds belangrijkste producenten van
tin en mangaan is. Het land is voorts de tweede westerse producent van
chroomerts, de vijfde van mica, de derde van zirkoon en de grootste van
beryllium. In 1975 werd in Mato Grosso de vermoedelijk grootste voorraad titaan
ter wereld ontdekt. Aardolie komt vnl. uit de staten Bahia, Alagoas en Sergipe;
ook off-shore is aardolie aangeboord. Na de ontsluiting van het Campos-olieveld
buiten de kust van de staat Rio de Janeiro in het begin van de jaren tachtig,
verdubbelde de productie van aardolie, waarmee Brazilië kan voorzien in de
helft van de binnenlandse behoefte. De import van de overige ruwe olie en
derivaten drukt voor $ 4 miljard op de betalingsbalans. Steenkool wordt
gevonden in Rio Grande do Sul en Santa Catarina. In de staat Amazonas bij de
grens met Peru en Colombia ligt volgens geologen een van de rijkste
steenkoollagen ter wereld. Verder worden geëxploiteerd: fosfaat, grafiet,
magnesiet, wolfraam, lood, asbest, uraan, bariet, apatiet en zilver. De na 1936
geregistreerde delfstoffenvoorraden zijn eigendom van de staat, waarvan de
exploratie alleen aan Brazilianen voorbehouden is. Buitenlandse
kapitaaldeelname is echter geoorloofd. De grootste mijnbouwonderneming is het
staatsbedrijf Companhia Vale do Rio Doce. Ook de aardolieproductie was een
staatsmonopolie (Petrobras). Privatisering heeft ook hier het monopolie op
losse schroeven gezet. Bovendien is Petrobras alleen niet in staat de nodige
investeringen te doen. Overigens volstaat de oliewinning maar voor de helft van
de binnenlandse vraag. Van de grote rijkdom aan waterkracht (ca. 90% van de
elektrische energie wordt hieruit gewonnen) wordt pas sinds de tweede helft van
de jaren zeventig op grote schaal gebruik gemaakt. In 1984 werden twee
waterkrachtcentrales in werking gesteld: de Itaipú-dam in de rivier de Paraná
in samenwerking met Paraguay (met een vermogen van [1990] 12,6 miljoen kW de
grootste ter wereld) en de Tucuruídam in de rivier Tocantins in het
Amazonegebied (met een vermogen van 4 miljoen kW ten behoeve van het
Carajos-mijngebied). De bouw van de Balbina-dam in het westelijke Amazonegebied
leidde in 1987 tot kritiek vanwege de moord op Indianen en de vernietiging van
de ecologie. Pogingen te komen tot bioalcohol voor auto's moeten de
afhankelijkheid van benzine verder verminderen
Industrie
Brazilië is het voornaamste geïndustrialiseerde land van
Latijns-Amerika. Het aandeel van de industrie aan het bnp bedroeg in 1994 39%.
Van de totale beroepsbevolking werkt 23% in deze sector. De industriële centra
liggen in het zuidoosten: ruim driekwart van de totale productie vindt plaats
in de staten São Paulo (hier alleen al ruim 50%), Minas Gerais en Rio de
Janeiro, waar ook ca. 70% van alle werknemers in de industrie werkzaam is. Van
bijzonder belang in het ontwikkelingsbeleid is de uitbreiding van de zware
industrie. Het paradepaardje van de Braziliaanse industrie is de automobielindustrie,
direct gevolgd door de staalindustrie. Voorts zijn van belang de petrochemische
en elektrotechnische industrie, de scheepsbouw en de textielindustrie. In de
jaren tachtig werd ook een vliegtuig- en wapenindustrie tot ontwikkeling
gebracht. Het aandeel van industriële goederen in de export is 60%. Bij de
ontwikkeling van de Braziliaanse industrie spelen buitenlandse investeringen
(de Verenigde Staten, Japan, Nederland en Duitsland) een belangrijke rol, zodat
Brazilië thans een relatief modern industriepark kent.
Handel
De handelsbalans vertoonde in de jaren tachtig voortdurend
een overschot (in 1988 een recordhoogte van $ 19 miljard). De belangrijkste
importgoederen zijn machines en machineonderdelen, elektronica, aardolie,
chemische producten, voedselproducten. De voornaamste exportgoederen zijn
ijzer- en staalproducten, koffie, aardolieproducten, machines, auto's en
auto-onderdelen, soja en vruchtensap. De belangrijkste handelspartners zijn de
Verenigde Staten, Argentinië, Duitsland en Japan; Nederland is de afnemer van
7% van de Braziliaanse producten.
Economische planning en
ontwikkelingssamenwerking
De ontwikkelingsplanning is sterk gedecentraliseerd,
waardoor tegenstellingen zijn ontstaan bij de uitvoering van de plannen op
federaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Om de economische en sociale
ongelijkheid tussen het achtergebleven noordoosten en de rest van het land te
verminderen, zijn door de overheid omvangrijke steunmaatregelen voor de
industriële sector uitgevaardigd (o.a. belastingfaciliteiten en gunstige
kredietvoorwaarden voor investeerders) en werd in 1959 SUDENE, een regionale
overheidsinstelling, opgericht. De door deze instelling opgestelde plannen
betreffen vooral de infrastructurele ontwikkeling, de verbetering van de gezondheidszorg
en het onderwijs en de bevordering van de industrie. Ze betreffen in mindere
mate de landbouw. Voor de ontsluiting van het Amazonebekken werd van
overheidswege SUDAM opgericht. Tot haar taken behoort o.a. de kolonisatie van
het gebied langs de Transamazônica en het ontwerpen van plannen voor het
rationeel benutten van het bosbestand. Brazilië sloot met het oog op het
laatstgenoemde in juli 1978 een verdrag met Bolivia, Colombia, Ecuador, Guyana,
Peru, Suriname en Venezuela, het zgn. Amazone-pact. De nadruk ligt hierbij op
gezamenlijke projecten op het gebied van waterkracht- en infrastructurele
werken en het behoud van de in het gebied aanwezige grondstoffen.
De overheid heeft in de jaren zeventig een cruciale rol
gespeeld bij het industrialiseringsproces. De tien grootste ondernemingen in
Brazilië zijn staatsbedrijven, maar binnenkort worden ook de sleutelsectoren
geprivatiseerd. De staat nam ook het voortouw bij grootschalige
ontwikkelingsprojecten, waarvoor leningen werden afgesloten bij buitenlandse
banken en internationale financiële instellingen als de Wereldbank. De
gedwongen beperking van de overheidsuitgaven in de jaren tachtig leidde tot een
terugval van de investeringen. Van 1969 tot 1988 ontving het land $ 2,3 miljard
aan ontwikkelingshulp.
Bankwezen
De Banco Central do Brasil reguleert het bank- en
beurswezen. De grootste banken zijn meestal staatsbanken of worden via een
meerderheidsaandeel door de staat gecontroleerd. De belangrijkste is de Banco
do Brasil. De Banco Nacional de Desenvolvimento Econômico e Socíal (BNDES), een
staatsbank, is als ontwikkelingsbank van belang. Daarnaast zijn er tal van
particuliere banken.
Verkeer
Het luchtverkeer is van grote betekenis. Het binnenlandse
luchtnet behoort tot het dichtste ter wereld met ruim 1500 luchthaven(tje)s.
Voor het intercontinentale verkeer zijn vooral de luchthavens van Rio de
Janeiro (Galeão, met accommodatie voor supersonische vliegtuigen), São Paulo
(Viracopos, bij Campinas), Recife en Porto Alegre van belang.
De spoorwegen hebben slechts een totale lengte van ruim
30!
Van 1500 tot de 20ste eeuw
Brazilië is op 22 april 1500 ontdekt door de Portugese
zeevaarder Pedro Alvares Cabral, die met zijn vloot op reis was naar
Oost-Indië. Kort tevoren waren Vespucci (juli 1499) en Pinzón (jan. 1500) op de
Braziliaanse kust geland, maar krachtens het Verdrag van Tordesillas (1494)
kwam het gebied aan Portugal toe. In 1530 vestigden zich de eerste Portugese kolonisten.
Het land heette eerst Terra da Santa Cruz (Land van het Heilige Kruis), maar na
1540 werd het genoemd naar het brazielhout (= pernambuco [plantkunde]). Door de
import van slaven uit Afrika en de export van suiker en hout bloeide de handel
op. Nadat Portugal in
Portugal ging meer aandacht besteden aan de kolonisatie,
vooral nadat tegen eind 17de eeuw goud was ontdekt in Minas Gerais. In de 18de
eeuw was de economie vrij goed, o.m. door de ontdekking van een rijke diamantader
(1728). Toen Napoleon in 1807 Portugal aanviel, week de Portugese koninklijke
familie met een groot aantal volgelingen uit naar Brazilië en vestigde zich in
Rio de Janeiro. Koning Johan VI keerde in 1821 naar Portugal terug. Het vuur
van de Franse Revolutie en van de Amerikaanse Vrijheidsoorlog was ook naar
Brazilië overgewaaid, en toen de Portugese regering het land wilde terugbrengen
tot de voormalige status van kolonie, stelde Pedro, zoon van Johan VI, zich aan
het hoofd van de opstandige beweging (7 sept. 1822) en verdreef met steun van
Engelse troepen de Portugese legers. Brazilië werd onafhankelijk van Portugal
en een keizerrijk onder Pedro I.
Deze trad nogal autoritair en willekeurig op, het
parlement had weinig te vertellen en vooral het feit dat hij een deel van de
Portugese staatsschuld had overgenomen, versterkte de liberale oppositie in het
parlement tegen de keizer. In 1831 deed hij afstand van de troon ten gunste van
zijn zoon, die toen vijf jaar oud was. In 1840 aanvaardde deze als Pedro II de
regering. Onder zijn bewind kwam het land tot economische bloei. Het duurde
lang voordat de staatsfinanciën gesaneerd waren en er had een oorlog plaats met
Paraguay (1865-1870). De afschaffing van de slavernij zonder schadeloosstelling
aan de slavenhouders (1888), alsmede conflicten met de kerk en het leger
brachten de keizerlijke regering in diskrediet. In 1889 brak onder maarschalk
Da Fonseca een opstand uit, die Pedro II dwong het land te verlaten.
1900-1955
Brazilië werd hierna een republiek onder Da Fonseca,
geheel naar het voorbeeld van de Verenigde Staten. Het land werd ingedeeld in
twintig staten met Rio de Janeiro in een federaal district als hoofdstad. De
staten kregen een grote mate van autonomie. De eerste decennia van de republiek
waren onrustig. De ene president volgde de andere op en economische bloei
wisselde af met crises, veroorzaakt door het ineenstorten van de prijzen op de
wereldkoffiemarkt en het verdringen van bosrubber door plantagerubber. Tijdens
de Eerste Wereldoorlog leefde de economie weer op. In 1917 verklaarde Brazilië
de oorlog aan Duitsland, maar het nam niet actief aan deze oorlog deel. In de
naoorlogse jaren bleef het land politiek en economisch instabiel.
De verkiezingen van 1930 luidden een nieuw hoofdstuk in.
Een van de kandidaten voor het presidentschap, Getúlio Dornelles Vargas greep 3
nov. de macht. Vargas regeerde met ijzeren hand. Hij genoot grote populariteit,
maar hij omringde zich met een aantal politieke avonturiers, die niet wars
waren van corruptie op grote schaal. Na een opstand in São Paulo (1932), die
bloedig werd onderdrukt, versterkte Vargas zijn positie door de legertjes van
de staten samen te voegen en onder federaal commando te brengen en zich te
verzekeren van de steun van dit nationale leger. In 1937, toen hij volgens de
grondwet niet voor een derde ambtstermijn herkozen zou kunnen worden, voerde
Vargas met het leger een staatsgreep uit en verschafte zich dictatoriale macht.
De buitenlandse politiek van Vargas werd gekenmerkt door opportunisme. Aanvankelijk
steunde hij in de Tweede Wereldoorlog Duitsland en Italië, maar nauwelijks
kregen de geallieerden militair overwicht, of hij verklaarde de As-mogendheden
de oorlog en stuurde een Braziliaans expeditieleger naar Italië. De drang naar
politieke en sociale hervormingen, die na de Tweede Wereldoorlog ontstond,
heeft het bewind van Vargas niet kunnen overleven. Op instigatie van de
Verenigde Staten verzocht het leger bij monde van generaal Enrico Gaspar Dutra
hem af te treden. Vargas stemde hierin toe, waarna de grondwet weer werd
gebaseerd op het presidentiële systeem. Dutra, de leider van de Partido Social
Democrático (PSD), werd in 1945 tot president gekozen.
Dutra voerde een nogal conservatieve politiek en bracht
vrijwel geen sociale hervormingen tot stand. Dit bracht hem in moeilijkheden
met de communistische partij, die vervolgens in 1947 werd verboden. Bij de
verkiezingen van eind 1950 werd Vargas, die zich kandidaat had gesteld voor de
arbeiderspartij Partido Trabalhista Brasileiro (PTB), gekozen tot president.
Hij had echter niet meer de greep op het land die hij vroeger had gehad. Gevoed
door de slechter wordende economische toestand, werd de kritiek op zijn bewind
steeds sterker. De strijdkrachten eisten in 1954 het aftreden van Vargas. Eerst
weigerde hij, maar op 23 aug. 1954 gaf hij toe. Een dag later pleegde hij
zelfmoord.
1955-1964
Bij de in 1955 gehouden verkiezingen werd Juscelino
Kubitschek, kandidaat van de PSD, tot president gekozen. De door hem
aangekondigde politiek leidde tot ongeregeldheden, die met kracht werden
onderdrukt. Tot Kubitschek zijn ambt aanvaardde in begin 1956, verkeerde het
land in staat van beleg. De regeringsperiode van Kubitschek werd gekenmerkt
door een energieke uitvoering van industrialisatie, wegenbouw, aanleg van
stuwdammen, enz., maar de corruptie nam toe en de inflatie liep op tot 45% per
jaar; hierdoor was er een aaneenschakeling van onlusten. Zijn inflatoire
politiek bracht het land aan de rand van de financiële afgrond. Hij voerde een
uitgesproken pro-Amerikaans beleid; de communisten bleven buiten de wet
gesteld. In verband met de verkiezingen van 1960 werd de regering in mei 1959
gewijzigd. De minister van Oorlog, maarschalk Henrique Teixeira Lott, de sterke
man achter Kubitschek, was door de sociaal-democraten en de arbeiderspartij als
kandidaat aangewezen. Hij werd opgevolgd door maarschalk Odylio Denis. De
oppositie, de nationaal-democratische en de christelijk-democratische partijen,
stelden de gouverneur van São Paulo, Jânio da Silva Quadros, kandidaat. Bij de
op 3 okt. 1960 gehouden verkiezingen werd deze tot president gekozen. De
nationalist Quadros had zijn verkiezing vnl. te danken aan zijn beloften de
bezem door de politieke stal te halen en een halt toe te roepen aan de
inflatie. De verwachtingen omtrent hem waren hoog gespannen, maar zijn
redevoering waarin hij o.m. verklaarde normale betrekkingen met de
communistische landen te willen, oogstte zulk een storm van kritiek, vooral van
de kant van de strijdkrachten, dat hij op 25 aug. 1961 geheel onverwacht
aftrad. Bovendien had hij de heersende klassen tegen zich in het harnas
gejaagd, met zijn progressieve aanpak van de binnenlandse moeilijkheden, de
sociale tegenstellingen en de agrarische problemen. Zijn grondwettelijke
opvolger was de vice-president João Goulart, leider van de arbeiderspartij PTB,
maar de strijdkrachten en het bedrijfsleven, die hem van linkse sympathieën
verdachten, verzetten zich tegen hem. Na een grondwetswijziging, waarbij de
uitvoerende macht in handen kwam van een premier, die verantwoording schuldig
was aan het parlement - als zodanig werd gekozen de sociaal-democraat Tancredo
Neves - kon Goulart op 9 sept. het presidentschap op zich nemen.
Het vrij slappe optreden van Goulart, in macht beknot,
leidde tot een aaneenschakeling van onlusten. Hongertochten, plunderingen en
brandstichtingen op grote schaal hielden het leger vrijwel constant in staat
van alarm. Aan de samenstelling van een nieuw kabinet op 7 okt. 1962 gingen een
eindeloos geharrewar en politieke touwtrekkerij vooraf; ten slotte werd Hermes
Lima tot premier benoemd. Bij een in jan. 1963 gehouden referendum bleek dat
een grote meerderheid van de bevolking het presidentiële systeem hersteld wilde
zien; het parlementaire systeem had duidelijk gefaald. De ontevredenheid over
het beleid van Goulart, in combinatie met de steeds slechter wordende
economische toestand, leidde op 31 maart 1964 tot een militaire opstand,
waarbij Goulart werd afgezet. Zijn linkse politiek was hem noodlottig geworden.
De druppel die de emmer van zijn politieke tegenstanders deed overlopen, waren
zijn decreet tot een demagogische en weinig constructieve hervorming van het
grondbezit en zijn voornemen de communistische partij te erkennen. Dit leidde
tot de vorming van een 'front tegen misbruik van de macht', gesteund door de
strijdkrachten.
1964-1974
Op 11 april 1964 werd generaal Humberto de Alencar Castelo
Branco als 'overgangspresident' gekozen door een gezuiverd parlement. Zijn
ambtstermijn werd verlengd tot 15 maart 1967 en de verkiezingen voor een nieuwe
president werden uitgesteld. In okt. 1964 waren de politieke zuiveringen,
waarmee direct na de omwenteling was begonnen, voltooid. Naar schatting 4000
mensen, onder wie 112 parlementariërs, werden uit hun ambt ontzet. Ministers en
hoge ambtenaren van het bewind van Goulart konden voor een bepaalde tijd niet
in hoge ambten worden gekozen, kleine partijen werden uitgeschakeld en er
werden maatregelen inzake de niet-verkiesbaarheid van bepaalde personen
uitgevaardigd. Dit was vooral gericht tegen Kubitschek, die na een buitenlands
verblijf in het land was teruggekeerd en zich weer in het politieke leven
mengde. Castelo Branco eigende zich geleidelijk aan dictatoriale macht toe en
beknotte de rechten van het parlement steeds meer. Op 11 dec. 1965 werd een
nieuwe oppositiepartij opgericht, de MDB, waarvan de meeste aanhangers
behoorden tot de ontbonden arbeiderspartij. In 1966 werd het
tweepartijenstelsel ingevoerd: uitsluitend de MDB en de ARENA (regeringspartij)
waren toegestaan. De uitslag van de verkiezingen van 12 van de 22 gouverneurs,
die op 3 sept. 1966 werden gehouden, stond bij voorbaat vast, omdat Castelo
Branco ervoor had gezorgd dat alleen kandidaten van de ARENA konden worden
gekozen. Uit protest nam de MDB niet deel aan de verkiezingen. Een maand later
(3 okt.) werden de presidentsverkiezingen gehouden. De minister van Oorlog,
Arturo da Costa e Silva, die zich tot groot ongenoegen van de president
kandidaat had gesteld voor de ARENA, werd door beide huizen van het Congres tot
president gekozen. Aan deze verkiezingen deed de MDB niet mee. Da Costa e Silva
zei dat hij de revolutie van 1964 zou voortzetten en dat hij geen amnestie zou
verlenen aan politici die uit hun politieke rechten waren ontzet. Ook bij de in
november gehouden parlementsverkiezingen behaalde de ARENA een duidelijke
overwinning.
Op 15 maart 1967 aanvaardde da Costa e Silva zijn ambt en
trad een nieuwe grondwet in werking. Deze voorzag o.m. in een indirect gekozen
president en vice-president en in een verdere beknotting van de bevoegdheden
van het Congres, doordat de president via nooddecreten en zgn. 'institutionele
actes' wettelijke besluiten kon nemen. In dec. 1968 werd het Congres voor
onbepaalde tijd ontbonden en nam de regering de bevoegdheid bij decreet te
regeren. Da Costa e Silva werd op 31 aug. 1969 getroffen door een
hersenbloeding; zijn functies werden overgenomen door een militaire junta, die
daarbij de constitutie schond door vice-president Aleixo te passeren.
Op 7 okt. wees de junta de 63-jarige generaal Emílio
Garrastazú Médici aan als presidentskandidaat; op 25 okt. werd hij door het ten
gevolge van talrijke zuiveringen zeer gehavende Congres, dat voor deze
gelegenheid weer bijeen was geroepen, officieel tot president gekozen. Op 30
okt. werd Médici als president beëdigd en trad een nieuwe grondwet in werking,
waarbij de bevoegdheden van de wetgevende macht aanzienlijk werden beperkt en
die van de uitvoerende macht sterk werden uitgebreid. De stelselmatige
bestrijding van de linkse oppositie uitte zich in talrijke arrestaties. Alleen
de kerk kon het zich veroorloven nu en dan een woord van protest te laten
horen, hoewel ook tegen haar bepaalde maatregelen niet uitbleven (o.m. tegen de
aartsbisschop van Recife, Dom Helder Câmara). Het bewind werd beschuldigd van
marteling van gevangenen, het in stand houden van een onrechtvaardige sociale
structuur en het uitroeien van Indianen (dit laatste bij het economisch
openleggen van het Amazonegebied). De ontevredenheid in het land nam sterk toe,
met name over het feit dat de baten van het 'economische wonder', dwz. de
sterke economische expansie in de jaren 1967 tot 1973 (mogelijk gemaakt door
het toestaan van uitgebreide faciliteiten aan buitenlands kapitaal), niet ten
goede kwamen aan de massa van de bevolking. Guerrillero's namen - soms met
succes - hun toevlucht tot ontvoering van diplomaten om hun eisen kracht bij te
zetten.
1974-1986
In jan. 1974 werd Ernesto Geisel tot president gekozen; in
maart werd hij als zodanig geïnstalleerd. De door hem beloofde politieke liberalisering
bleef uit. Wel werd onder zijn bewind de perscensuur op dagbladen en
tijdschriften opgeheven, maar de censuur op de massamedia radio en televisie
bleef bestaan. Bij parlementsverkiezingen in 1974 en 1978 behaalde de MDB grote
overwinningen. Geisel reageerde met het doorvoeren van een aantal
constitutionele veranderingen, o.a. de benoeming door de president van eenderde
van de senaat en de ondervertegenwoordiging in het Congres van de stedelijke
gebieden, waar de MDB de meeste aanhang had. In november 1978 werd generaal
João Baptista de Oliveira Figueiredo door een kiescollege gekozen als
president. Voor zijn aftreden maakte Geisel de terugkeer van politieke
ballingen mogelijk en schafte hij de meest repressieve institutionele acte (nr.
5) af.
Onder druk van de groeiende oppositie, die o.a. tot uiting
kwam in demonstraties en stakingen in de grote steden, zette Figueiredo na zijn
aantreden op 15 maart 1979 een beleid door van 'abertura', geleidelijke
politieke liberalisering. Eind 1979 werd een amnestie afgekondigd voor alle
politieke gevangenen en degenen die hun politieke rechten verloren hadden. Ook
werd het tweepartijensysteem opgeheven. De MDB werd onder de nieuwe naam PMDB
een brede oppositiepartij, waarbij zich ook de nog verboden communistische
partij aansloot. De regeringspartij ARENA werd omgedoopt in PDS en steunde
vooral op de traditionele politici op het platteland. Bij de algemene
verkiezingen van 15 maart 1982 behaalden de oppositiepartijen een meerderheid
in het Huis van Afgevaardigden en tien gouverneursposten (in de belangrijkste
deelstaten). De PDS kreeg twaalf gouverneurs in de dunner bevolkte deelstaten
in het noorden en noordoosten, en behield de meerderheid in het kiescollege dat
de opvolger van Figueiredo zou aanwijzen. Het ontbrak de oppositie aan de
tweederde meerderheid in het Huis van Afgevaardigden die noodzakelijk was om
directe presidentsverkiezingen mogelijk te maken. De PDS stelde de bankier
Paulo Salim Maluf kandidaat voor het presidentschap. Een deel van de PDS kon
zich echter niet met zijn kandidatuur verenigen en richtte een eigen partij op,
de Partij van het Liberale Front (PFL), die de kandidaat van de PMDB, Tancredo
de Almeida Neves, ondersteunde. Hiermee verkreeg Neves een meerderheid in het
kiescollege, dat hem op 15 jan. 1985 koos als president en José Sarney van de
PFL aanwees als vice-president. Neves zou op 15 maart ingehuldigd worden, maar
moest de avond tevoren opgenomen worden in het ziekenhuis. Na zijn overlijden
(21 april) werd Sarney op 22 april 1985 als president beëdigd, waarmee een
einde kwam aan 21 jaar militair bewind.
1986- 1998
Aanvankelijk kon Sarney rekenen op ruime steun onder de
bevolking voor zijn economisch beleid, dat in februari 1986 gestalte kreeg in
het Cruzado-plan, waarbij een nieuwe munteenheid (cruzado) werd geïntroduceerd
en een bevriezing van lonen én prijzen werd afgekondigd. De economische crisis,
veroorzaakt door een enorme schuldenlast, werd echter niet minder groot. De
algemene verkiezingen van 15 nov. 1986 werden een grote overwinning voor de
PMDB, die een meerderheid kreeg in beide huizen van het Congres. Vanaf febr.
1987 werd het Congres omgedoopt in een Grondwetgevende Vergadering, die een
nieuwe democratische grondwet moest opstellen onder voorzitterschap van PMDB-leider
Ulysses Guimaraes.
Op 5 okt. 1988 werd de nieuwe grondwet goedgekeurd,
waarbij het presidentiële systeem met enige beperkingen gehandhaafd bleef. De
teleurstelling over het beleid van Sarney leidde tot een nederlaag voor de PMDB
en de PFL bij de gemeenteraadsverkiezingen van 15 nov. 1988. Grote winnaars
waren de Arbeiderspartij PT van vakbondsleider Luis Inacio da Silva (bijgenaamd
Lula) en de Democratische Arbeiderspartij PDT onder leiding van Leonel Brizola,
een zwager van ex-president Goulart. De presidentsverkiezingen van 15 nov.
1989, waarbij de bevolking voor het eerst sinds 1960 direct een president kon
kiezen, werden uiteindelijk gewonnen door de rechtse populist Fernando Collar
de Melo. In maart 1990 aanvaardde hij het ambt van president. Hij had echter
weinig steun in het parlement en zocht per onderwerp steun bij het parlement.
Wegens corruptie van Collar en zijn naaste omgeving, trad Collar in dec. 1992
af, enkele uren voordat de Senaat aan de afzettingsprocedure zou beginnen.
Itamar Franco volgde hem op als president.
In april 1993 sprak een meerderheid van de kiezers zich
bij referendum uit voor het behoud van de republikeinse regeringsvorm en voor
een presidentieel systeem boven een parlementaire variant. De politieke onmacht
van de regering kwam o.m. tot uiting in het feit dat het land in ruim anderhalf
jaar vijf ministers van Economie en Financiën had gekend. In okt. kwam een
groot corruptieschandaal aan het licht waarbij tientallen politici waren
betrokken. De politieke enquêtecommissie naar corruptie onder politici droeg op
grond van haar bevindingen in jan. 1994 achttien afgevaardigden voor ontslag.
Uit een ander onderzoek bleken nauwe contacten tussen onderwereld en politiek.
Het federale budget gaat voor 40% op aan corruptiepraktijken.
Winnaar van de presidentsverkiezingen in okt. 1994 was
Fernando Henrique Cardozo. Bij de gelijktijdig gehouden parlementsverkiezingen
bleef de PMBD van oud-president Sarney de grootste. Ter vervanging van de
cruzeiro real werd een nieuwe muntsoort ingevoerd, de real, die gekoppeld werd
aan de dollar. Als gevolg hiervan daalde de inflatie scherp. In aug. 1994 kwam
tussen Brazilië, Argentinië, Uruguay en Paraguay de douane-unie Mercosur tot
stand, waardoor een groot deel van de invoertarieven verdween en een gemeenschappelijke
buitenmuur werd opgetrokken.
President Cardoso kondigde in febr. 1995 belangrijke
hervormingen aan, maar hij moest zijn plannen op sociaal terrein intrekken na
fel verzet van vakbonden en politiek en zijn belastinghervormingen werden op de
lange baan geschoven. Ook in 1996 liepen de hervormingen grote vertraging op of
zij werden door toedoen van de oppositie sterk beknot. Eind maart 1995 kondigde
de president een versnelling van de landhervormingen aan, maar ook hier was de
praktijk anders. Het privatiseringsplan verliep eveneens traag, omdat politieke
partijen, vakbonden en andere organisaties een uitverkoop van de nationale
bodemschatten vreesden.
Economisch ging het Brazilië na 1992 niet slecht. In 1995
en 1996 bleef de inflatie laag en de periode van hyperinflatie lijkt voorbij.
Zorgwekkend was dat de werkloosheid in de steden, ondanks de economische groei,
verder toenam.
Regenwoud en straatkinderen
De vernietiging van tropisch regenwoud in het Amazonegebied
leidde tot heftige protesten door buitenlandse en binnenlandse
milieuorganisaties. Op 22 dec. 1988 werd de leider van de vakbond van
rubbertappers, Francisco Mendes, die internationale bekendheid had gekregen als
milieuactivist, door grootgrondbezitters vermoord. Hierna moest president
Sarney concessies doen, zoals bijv. in jan. 1990 de (tijdelijke) sluiting van
de grootste tinmijn ter wereld in verband met vervuiling van de Amazonerivier.
In nov. 1989 startte een internationale actie voor hulp aan de
Yanomamö-Indianen. Desondanks werden regelmatig Indianen vermoord door o.a.
goud- en tinzoekers. Met name in Rio de Janeiro, waar ca. 6000 straatkinderen
leven, opereren doodseskaders die systematisch straatkinderen vermoorden. De
doodseskaders blijken nauwe banden met de politie te onderhouden en worden
zelden gestraft.
|
"Brazilië", ® Encarta ® 98 Encyclopedie |