|
Met Buriku bedoeld men in het papiaments twee zaken:
- het dier de ezel.
- een stommerd.
Enkele spreekwoorden en gezegden
met het woord ‘buriku’:
- “Buriku no sa pusta ku kabai”
[je moet je meerdere weten te erkennen]
- “N’tin kaminda ku kabai ta bai ku buriku
n’por yga” [waar een wil is is een weg]
- “Bo por saka buriku for di
mondi, pero bo no por saka mondi for di sú kabes” [ een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn
streken]
- “Tur buriku su boka ta blanku,
bon n’sa ta kua ta kome maishi” [ de dader is onbekend]
- “Ta yega un dia ku buriku ta
kansa di karga” [aan alles komt een eind]
- “Bos dir buriku no ta yega
shelu” [ de minderen worden niet gehoord]
- “Maske buriku biaha mundu tres
bes rònt, buriku e ta keda” [er zijn
mensen die iets leren]
- “Buriku mester traha pa kabai kome” [van een ander profiteren]
- “Si b’a nase buriku, bo n’por muri kabai” [vergeet nooit je
oorsprong]
- “Buriku ku maña, trampa kuné [een willoze hard aanpakken]
- “Esun ku laba kabe’i buriku ta pèrdè habon i tempu” [iets onzinnigs
doen]
- “Stropi n’ta pa bok’i buriku” [het past niet]
- “Malu ta bini ku kabai, e ta bai ku buriku” [ziek zijn heeft
tijd nodig om te genezen]
- “Mi no ta bo buriku di karga” [ik ben je pakezel niet]
|
|
Met Ezel bedoeld men in het Nederlands
drie zaken:
- een aan het paard verwant dier
met lange oren, waarvan de tamme variant (Equus
asinus) veel als lastdier wordt gebruikt.
- een domoor, stommerd.
- een standaard voor schilderijen
(schildersezel), schoolborden.
De woorden met ezel:
- ezelachtig [als een ezel, dom]
- ezelachtigheid, (-heden) [domme fout, domme streek]
- ezelen (ezelde, geëzeld)
[hard werken]
- ezelin (-nen) [vrouwelijke ezel]
- ezelinnenmelk [melk van een ezelin]
- ezelsbrug (-gen) [hulpmiddel om iets
gemakkelijk te leren of te onthouden]
- ezelsmelk [gifwortel, duivelsmelk]
- ezelsoor (-oren) [oor van een ezel; omgevouwen hoek van een blad in een
boek of tijdschrift]
- ezelsrug (-gen) [rug van een ezel; afdekking van vrijstaande muren met
scherpe bovenkant]
- ezelsstamp (-en) [ontslag; ontslag krijgen; niet geselecteerd worden (voor
een bepaalde wedstrijd)]
- ezelsveulen (-s) [jong van een ezel; domoor]
Spreekwoorden en gezegden met het woord ezel:
- “Een ezel stoot zich (in ‘t
algemeen) geen twee maal aan dezelfde steen” [wie één maal een fout heft
begaan of een onaangename ervaring heeft gehad, vermijdt die voortaan]
- “Zo koppig als een ezel” [zeer
koppig]
- “Zo dom als een ezel” [zeer dom]
- “Gij zijt (als) ezel geboren en
(als) ezel zult gij sterven” [je
zal altijd dom blijven]
- “Van de os op de ezel” [van de
hak op de tak]
- “Een gouden zadel maakt van een ezel
nog geen paard” [geld maakt iemand nog steeds niet belangrijk]
- “Wat ben ik toch een ezel” [dat
ik daaraan niet dacht]
- “Als een ezel het goed heeft,
gaat hij op het ijs dansen” [ iemand die het goed heeft kan rare dingen
doen]
|